Over Renature Brussel Contact
nl
Een initiatief vanLeefmilieu Brussel

Beheer rietvegetaties (habitat HGB MR)

Rietvegetaties slaan op relatief homogene rietlanden in of nabij waterlichamen. We treffen ze aan in relatief ondiepe delen van vijvers, plassen en grachten.

Afbeelding van rietvegetatie in brussel (rood klooster)

De habitat van gewestelijk belang in het kort

Rietvegetaties slaan op relatief homogene rietlanden in of nabij waterlichamen. We treffen ze aan in relatief ondiepe delen van vijvers, plassen en grachten. Daarnaast omvat dit habitattype ook soortenrijkere moerasvegetaties met dominantie van indicatieve soorten uit de rietklasse. Deze vegetaties zijn overwegend aan te treffen op (zeer) natte standplaatsen in beekvalleien.

Technische info

Doelgroep Overheidinstanties - Professionals
Seizoen Herfst - Winter - Lente - Zomer
Type actie Onderhouden - Beschermen - Diagnosticeren
Betrokken ruimte Natura 2000 - Groene ruimte
Niveau Ervaren  

Observeren, determineren, ontdekken

Officiële titel

Rietvegetaties

Code

  • HGB MR

Raadpleeg de kaart met de habitats van gewestelijk belang

Afbeelding van rietvegetatie in brussel
Rietvegetatie in Brussel © Jeroen Mentens (Vilda)

Milieukenmerken

Hydrologie

Grondwaterafhankelijk: Ja

Relaties

Flora

Sleutelsoorten

Heeft als kwaliteitsindicerende soorten: 

  • kalmoes (Acorus calamus)
  • grote waterweegbree (Alisma plantago-aquatica)
  • groot moerasscherm (Apium nodiflorum)
  • zwanebloem (Butomus umbellatus)
  • spindotterbloem (Caltha palustris var. araneosa)
  • moeraswalstro (Galium palustre)
  • gele lis (Iris pseudocarpus)
  • moeraskruiskruid (Senecio paludosus)
  • wolfspoot (Lycopus europaeus)
  • grote kattestaart (Lythrum salicaria)
  • watermunt (Mentha aquatica)
  • moerasvergeet-mij-nietje (Myosotis scorpioides)
  • watertorkruid (Oenanthe aquatica)
  • riet (Phragmites australis)
  • waterzuring (Rumex hydrolapathum)
  • mattenbies (Schoenoplectus lacustris)
  • heen (Bolboschoenus maritimus)
  • ruwe bies (Schoenoplectus tabernaemontani)
  • moerasmelkdistel (Sonchus palustris)
  • grote egelskop (Sparganium erectum)
  • kleine lisdodde (Typha angustifolia)
  • grote lisdodde (Typha latifolia).



Soorten die verstoring aanwijzen

Heeft als soorten die verstoring (vergrassing) aanwijzen: 

  • moerasstruisgras (Agrostis stolonifera)
  • glanshaver (Arrhenatherum elatius)
  • hennegras (Calamagrostis canescens)
  • gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos)
  • kropaar (Dactylis glomerata)
  • ruwe smele (Deschampsia cespitosa)
  • kweek (Elymus repens)
  • rietzwenkgras (Festuca arundinacea)
  • gestreepte witbol (Holcus lanatus)
  • gewoon timoteegras (Phleum pratense)
  • ruw beemdgras (Poa trivialis).

Heeft als soorten die verstoring (verbossing) aanwijzen

  • bedekking van bomen en struiken > 1m (excl. bramen en eventueel gewenste opslag).

Heeft als soorten die verstoring (eutrofiëring) aanwijzen: 

  • ganzenvoet (Chenopodium)
  • harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum)
  • gewone hennepnetel (Galeopsis tetrahit)
  • kleefkruid (Galium aparine)
  • vlotgras (Glyceria)
  • pitrus (Juncus effusus)
  • kroos (Lemna)
  • rietgras (Phalaris arundinacea)
  • kruipende boterbloem (Ranunculus repens)
  • blaartrekkende boterbloem (Ranunculus sceleratus)
  • gele waterkers (Rorippa amphibia)
  • bitterzoet (Solanum dulcamara)
  • grote lisdodde (Typha latifolia)
  • grote brandnetel (Urtica dioica).

Heeft als soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen: 

  • gewone engelwortel (Angelica sylvestris)
  • haagwinde (Calystegia sepium)
  • scherpe zegge (Carex acuta)
  • moeraszegge (Carex acutiformis)
  • stijve zegge (Carex elata)
  • pluimzegge (Carex paniculata)
  • oeverzegge (Carex riparia)
  • akkerdistel (Cirsium arvense)
  • moesdistel (Cirsium oleraceum)
  • kale jonker (Cirsium palustre)
  • speerdistel (Cirsium vulgare)
  • harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum)
  • koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum)
  • moerasspirea (Filipendula ulmaria)
  • kleefkruid (Galium aparine)
  • grote kattenstaart (Lythrum salicaria)
  • braam (Rubus)
  • gewone melkdistel (Sonchus oleraceus)
  • gewone smeerwortel (Symphytum officinale).

Heeft als invasieve exoten: 

  • hemelboom (Ailanthus altissima)
  • grote engelwortel (Angelica archangelica)
  • aster (Aster)
  • vlinderstruik (Buddleja)
  • schijnaardbei (Duchesnea indica)
  • japanse duizendknoop (Fallopia japonica)
  • sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis)
  • japanse x sachalinse duizendknoop (Fallopia x bohemica)
  • aardpeer (Helianthus tuberosus)
  • reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum)
  • reuzebalsemien (Impatiens glandulifera)
  • bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum)
  • moerasaronskelk (Lysichiton americanus)
  • amerikaanse vogelkers (Prunus serotina)
  • amerikaanse eik (Quercus rubra)
  • pontische rododendron (Rhododendron ponticum)
  • robinia (Robinia pseudoacacia)
  • canadese guldenroede (Solidago canadensis)
  • late guldenroede (Solidago gigantea)
  • witte spirea (Spiraea alba)
  • douglaspluimspirea (Spiraea douglasii).

Natura 2000-doelhabitat

Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. 

Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.

SBZ I : Zoniënwoud en vallei van de Woluwe

Kwantitatieve doelstellingen

  • ten minste behoud van de bestaande oppervlakte
  • gebruikmaken van de uitbreidingskansen bij ecologische inrichtingen tussen de land- en waterbiotopen

Kwalitatieve doelstellingen

  • evolueren naar een gunstige staat van instandhouding over 75 % van de oppervlakte
  • integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding van sleutelsoorten zoals Phragmites australis, Typha latifolia, Eupatorium cannabinum, Dactylorhiza praetermissa, Glyceria maxima, Sparganium erectum en Equisetum fluviatile alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt

SBZ III : Bossen en vochtige gebieden van de Molenbeekvallei

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte. 
  • Gebruikmaken van de uitbreidingskansen bij ecologische inrichtingen tussen de land- en waterbiotopen. 

Kwalitatieve doelstellingen

  • Integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding via zaden van sleutelsoorten zoals Phragmites australis, Typha latifolia, Eupatorium cannabinum, Dactylorhiza praetermissa, Glyceria maxima, Sparganium erectum en Equisetum fluviatile alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt. 

Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

Afbeelding van rietvegetatie in brussel
Rietvegetatie in Brussel © Jeroen Mentens, Vilda

Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.

  • Toepassen van een wintermaaibeheer. 
Afbeelding van riet (phragmites australis)
Riet (Phragmites australis) © Jan van der Straaten (Saxifraga)

Beheer rietvegetaties

Onderhoudsbeheer

Voor de instandhouding of het herstel van rietmoerassen in goede staat is het meest aangewezen inwendig beheer; wintermaaien in groepen, op basis van rotatie, met verwijdering van het product en het strooisel. Er moet rekening worden gehouden met broed- en overwinteringspopulaties van watervogels en er moet elk jaar voldoende ongemaaid rietland overblijven.

Het is uitermate efficiënt om verruigde rietvegetaties om te zetten in vegetaties gekenmerkt door een goede, dichte en vitale rietgroei, met een naargelang de heersende waterstand al dan niet rijkere ondergroei. Ook hierbij blijkt het verwijderen van de strooisellaag de belangrijkste factor te zijn. Hoe eutrofer het milieu, hoe zorgvuldiger er zal moeten gemaaid worden en vooral hoe langer het maaibeheer zal moeten volgehouden worden, eer een verschralend effect op de rietlanden tot uiting zal komen.

Afbeelding van grote kattenstaart (Lythrum salicaria)
Grote kattenstaart (Lythrum salicaria) © Ed Stikvoort, Saxifraga

Criteria van gunstige staat van de habitat

Vegetatieopbouw

  • De kwaliteitsindicerende soorten hebben samen een bedekking van ≥ 60 %.

Verstoringskenmerken

  • zones met dominantie van verruigingsindicatoren nemen een oppervlakteaandeel in ≤ grenswaarde:
    - Vergrassing neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
    - Verbossing neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
    - Verruiging neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
    - Eutrofiëring neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 30%.
  • Invasieve exoten zijn afwezig. 
Afbeelding van gele lis (iris pseudocarpus)
Gele lis (Iris pseudocarpus) © Jeroen Mentens, Vilda

Bedreigingen

  • Het achterwege blijven van beheer, bijvoorbeeld wintermaaien, wat leidt tot strooiselaccumulatie en tot een zwak gedifferentieerde rietgemeenschap.
  • Een onnatuurlijke waterhuishouding: een te lage grondwatertafel of zomeroverstromingen, die leiden tot een zeer monotone rietvegetaties zonder andere soorten.
  • Slechte waterkwaliteit met een te grote voedselrijkdom.
  • Recreatie waarbij de rietkraag wordt beschadigd door vertrappeling of golfslag door boten. 

Partners

Deze pagina werd mogelijk gemaakt dankzij de content van Ecopedia

Deze pagina werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van het LIFE-programma van de EU in het kader van het LIFE Belgium for Biodiversity project (LIFE B4B).

Lees meer