Over Renature Brussel Contact
nl
Een initiatief vanLeefmilieu Brussel

Beheer schraal hooiland: glanshavergraslanden (habitat 6510)

Goed ontwikkelde glanshavergraslanden zijn kruiden- en bloemenrijk, met vaak een bloemenweelde van composieten zoals Margriet, Knoopkruid en Groot streepzaad. De grassen vormen een mozaïek van middelhoge en hoge soorten, waarbij geen enkele grassoort dominant is.

Afbeelding van bloemrijk grasland in de zomer

De natura 2000 habitat in het kort

Goed ontwikkelde glanshavergraslanden zijn een subtype van het Europese habitat Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510). Goed ontwikkelde glanshavergraslanden zijn kruiden- en bloemenrijk, met vaak een bloemenweelde van composieten zoals Margriet, Knoopkruid en Groot streepzaad. De grassen vormen een mozaïek van middelhoge en hoge soorten, waarbij geen enkele grassoort dominant is. Ze komen voor op matig voedselrijke vrij droge zandleem-, leem- of kleibodems. Het zijn hooilanden die twee keer per jaar gemaaid worden of hooiweiden die eerst gemaaid worden en dan nabegrazing krijgen.

Technische info

Doelgroep Professionals - Overheidinstanties
Seizoen Herfst - Winter - Lente - Zomer
Type actie Onderhouden - Beschermen - Diagnosticeren
Betrokken ruimte Natura 2000 - Groene ruimte
Niveau Ervaren  

Waarnemen, determineren, ontdekken

Officiële titel

Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)

Code

  • 6510

Raadpleeg de kaart met de Natura 2000-habitats

Afbeelding van bloemrijk grasland naast een snelweg
Bloemrijk grasland naast een snelweg © Jeroen Mentens, Vilda

Beschrijving

Glanshavergraslanden (Arrhenatherion) bestaan uit hooilanden, hooiweiden, graslanden met extensieve seizoensbeweiding of zomen, vaak met een uitbundig bloeiaspect met veel composieten en schermbloemigen. Op bermen komt dit type nog talrijk voor.

Kensoorten van het Glanshaververbond zijn Groot streepzaad, Grote bevernel, Glad walstro, Rapunzelklokje, Beemdooievaarsbek, Beemdkroon en Karwijvarkenskervel. Onder de grassen treden Glanshaver, Gewoon reukgras, Rood zwenkgras en/of Grote vossenstaart meestal op de voorgrond.

Dit habitattype heeft een grote variatie aan verschijningsvormen naargelang de standplaats (bodemtype, vochtgehalte, voedselrijkdom en kalkgehalte). Er zijn verschillende overgangen naar andere graslandtypen mogelijk, zoals Kamgrasweiden (Cynosurion), het Grote vossenstaartverbond (Alopecurion), Dotterbloemgraslanden (Calthion) of meer verruigde graslanden, die vaak voorkomen op extensief beheerde wegbermen.


In Brussel komen glanshavergraslanden vooral in verarmde vorm voor, waarbij de hoger vernoemde kensoorten van het Glanshaververbond ontbreken:

  • Langs wegbermen komen vrij algemeen vegetaties voor met typische soorten als Peen, Fluitenkruid, Pastinaak, Gewone berenklauw, Kraailook, Knoopkruid, Margriet en Gele morgenster.
  • In wegbermen en landbouwhooilanden op zandige bodems vindt men graslanden met o.a. Knoopkruid, Duizendblad, Margriet, Gewone brunel, Vertakte leeuwentand en Peen. Het ontbreken van vele kensoorten kan hier echter natuurlijk zijn en samenhangen met de voedselarme bodem.

Bloemrijke Glanshaver- en Grote vossenstaarthooilanden zijn belangrijk voor broedvogels. De talrijke schermbloemigen trekken een soortenrijke insectenfauna aan. De Koninginnepage is een typische dagvlindersoort die zijn eieren afzet op Peen en andere schermbloemigen.


Milieukenmerken

Hydrologie

Grondwaterafhankelijk : Nee

Milieukarakteristieken

Glanshavergraslanden zijn grondwateronafhankelijk en gebonden aan onbemeste, matig voedselarm, zwak zure tot basische standplaatsen met een pH (H2O) boven 6 (bodem pH: 5,6-7,9). Glanshaverhooilanden worden meestal gelimiteerd door stikstof (N) of Kalium (K), P-limitatie treedt zelden op (bodem C/N ratio: 12-15 | bodem N: 0,13-0,26 kg/ha | bodem P: 190-430 kg/ha).

De stikstofdepositie moet zich onder 20 kg N/ha/jaar bevinden. Verhoogde stikstofdepositie leidt dan ook tot een versnelde groei, verhoogde productie en bijgevolg versnelde strooiselophoping (vervilting). Hierdoor verruigt de vegetatie en wordt die eenvormiger, vooral grassen nemen toe ten koste van de kruiden.

Bodem

Dit type komt voor op tamelijk voedselarme, doorgaans kleihoudende gronden (lemig zand, zandleem, leem en klei).

Wat is vervilting?

Als het gras niet gemaaid of afgegraasd wordt, leggen de halmen zich plat en sterven ze af. Het resultaat is een dik pak opeengestapeld gras waarvan de onderste laag langzaam verteert. Ook als je het afgemaaide gras niet goed afvoert krijgt een viltlaag. Vilt is dus een moeilijk doordringbare laag van dood gras.

Relaties

Flora

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten (indicator van een goede toestand) :

  • Kraailook (Allium vineale)
  • Zachte haver (Avenula pubescens)
  • Bevertjes (Briza media)
  • Rapunzelklokje (Campanula rapunculus)
  • Knoopkruid (Centaurea jacea)
  • Groot streepzaad (Crepis biennis)
  • Glad walstro (Galium mollugo)
  • Beemdooievaarsbek (Geranium pratense)
  • Graslathyrus (Lathyrus nissolia)
  • Veldlathyrus (Lathyrus pratensis)
  • Beemdkroon (Knautia arvensis)
  • Ruige leeuwentand (Leontodon hispidus)
  • Margriet (Leucanthemum vulgare)
  • Vijfdelig kaasjeskruid (Malva alcea)
  • Muskuskaasjeskruid (Malva moschata)
  • Gewone vogelmelk (Ornithogalum umbellatum)
  • Klavervreter (Orobanche minor)
  • Pastinaak (Pastinaca sativa)
  • Karwijvarkenskervel (Peucedanum carvifolia)
  • Grote bevernel (Pimpinella major)
  • Gulden sleutelbloem (Primula veris)
  • Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus)
  • Knolboterbloem (Ranunculus bulbosus)
  • Kleine ratelaar (Rhinanthus minor)
  • Veldsalie (Salvia pratensis)
  • Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis)
  • Knolsteenbreek (Saxifraga granulata)
  • Gele morgenster (Tragopogon pratensis)
  • Goudhaver (Trisetum flavescens)
  • Aardaker (Lathyrus tuberosus)
  • Naakte lathyrus (Lathyrus aphaca)
  • Gewone en smalle rolklaver (Lotus corniculatus)
  • Grote ratelaar (Rhinanthus angustifolius)

Soorten die verstoring aanwijzen

Heeft als soorten die verstoring (eutrofiëring) aanwijzen :

  • Witte klaver (Trifolium repens)
  • Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum)
  • Kruipende boterbloem (Ranunculus repens)
  • Witbol (G) (Holcus spp.)
  • Raaigras (G) (Lolium spp.)
  • Veldzuring (Rumex acetosa)

Heeft als soorten die verstoring (vergrassing incl. vervilting) aanwijzen :

  • Fioringras (Agrostis stolonifera)
  • Grote vossenstaart (Alopecurus pratensis)
  • Glanshaver (Arrhenatherum elatius)
  • Kropaar (Dactylis glomerata)
  • Smele (G) (Deschampsia spp.)
  • Kweek (Elymus repens)
  • Rietzwenkgras (Festuca arundinacea)
  • Gewoon timoteegras (Phleum pratense)
  • Ruw beemdgras (Poa trivialis)
  • Rietgras (Phalaris arundinacea)
  • Ruige zegge (Carex hirta)
  • Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos)
  • Raaigras (G) (Lolium spp.)


Heeft als soorten die verstoring (verbossing) aanwijzen: bedekking bomen en struiken exclusief Braam (G) (Rubus spp.)

Heeft als soorten die verstoring (verbraming) aanwijzen: bedekking van Braam (G) (Rubus spp.)

Heeft als soorten die verstoring (verruiging incl. ruderalisering) aanwijzen :

  • Zevenblad (Aegopodium podagraria)
  • Akkerwinde (Convolvulus arvensis)
  • Basterdwederik (G) (Epilobium spp.)
  • Heermoes (Equisetum arvense)
  • Hondsdraf (Glechoma hederacea)
  • (Hegge)vogelmuur (Stellaria media)
  • Akkerdistel (Cirsium arvense)
  • Speerdistel (Cirsium vulgare)
  • Krulzuring (Rumex crispus)
  • Ridderzuring (Rumex obtusifolius)
  • Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea)
  • Melkdistel (G) (Sonchus spp.)
  • Grote brandnetel (Urtica dioica)
  • Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare)
  • Kleefkruid (Galium aparine)
  • Paardenbloem (G) (Taraxacum spp.)
  • Bijvoet (Artemisia vulgaris)
  • Kruldistel (Carduus crispus)

Fauna

Heeft als karakteristieke soorten (soorten die zich bij voorkeur in het betreffende habitattype voortplanten) :

  • Klaverblauwtje (Cyaniris semiargus)

Heeft als constante soorten (soorten die in de meeste van de gebieden met het betreffende habitattype aanwezig zijn, maar niet beperkt zijn tot het habitattype en die een indicator zijn van een goede biotische of abiotische toestand) :

  • Moerassprinkhaan (Stetophyma grossum)
  • Kwartel (Coturnix coturnix)

Natura 2000-doelhabitat

Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. 

Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.

SBZ I : Zoniënwoud met bosrand, aangrenzende bosgebieden en Woluwevallei:

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Ten minste het behoud van de bij identificatie van het gebied aanwezige staat van instandhouding.
  • Herstel van schraal grasland.
  • Integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats binnen de SBZ die de verspreiding van sleutelsoorten zoals Centaurea jacea, Crepis biennis, Galium mollugo, Lathyrus pratensis, Lotus corniculatus, Knautia arvensis, Leucanthemum vulgare, Malva moschata, Ornithogalum umbellatum, Pastinaca sativa en Daucus carota alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt.

SBZ II : Bossen en open gebieden in het zuiden van het Brussels Gewest

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Ten minste het behoud van de bij identificatie van het gebied aanwezige staat van instandhouding.
  • Herstel van schraal grasland.
  • Integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding van sleutelsoorten zoals de Centaurea jacea, Crepis biennis, Galium mollugo, Lathyrus pratensis, Lotus corniculatus, Knautia arvensis, Leucanthemum vulgare, Malva moschata, Ornithogalum umbellatum, Pastinaca sativa, Daucus carota mogelijk maakt.

SBZ III : Bossen en vochtige gebieden van de Molenbeekvallei in het noordwesten van het Brussels Gewest

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Herstel van schraal grasland.
  • Integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding via zaden van sleutelsoorten zoals Centaurea jacea, Crepis biennis, Galium mollugo, Lathyrus pratensis, Lotus corniculatus, Knautia arvensis, Leucanthemum vulgare, Malva moschata, Ornithogalum umbellatum, Pastinaca sativa en Daucus carota alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt.

Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

Afbeelding van bloemrijk grasland in de zomer
Bloemrijk grasland in de zomer © Jeroen Mentens (Vilda)

Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.

  • Opheffen van de bronnen van verzuring en eutrofiëring.
  • Toepassen van een verschralend maaibeheer / toepassen van een tweejaarlijks maaibeheer met afvoeren van het maaisel.
  • Herstellen van het ecologische netwerk van de graslanden met hoge biologische waarde.

Beheren

Onderhoudsbeheer

Voor de instandhouding van soortenrijke Glanshavergraslanden is een volgehouden maaibeheer noodzakelijk. In de regel worden deze graslanden twee keer per jaar gemaaid, bij voorkeur met, per perceel, weinig spreiding in het maaitijdstip en met aandacht voor de bloei en zaadvorming van de bijzondere soorten. De eerste maaibeurt ligt vaak tussen 15 juni en 15 juli. Maar er zijn ook glanshaverhooilanden die al 15 mei gemaaid worden. De tweede maaibeurt valt tussen 15 augustus en 15 september. Belangrijk bij het bepalen van de maaidatum van goed ontwikkelde glanshavergraslanden is het in zaad komen van de doelsoorten. Deze kunnen in zaad staan bij de eerste maaibeurt maar kunnen ook in bloem en zaad komen tussen de eerste en de tweede maaibeurt. De beheerder moet dus goed bepalen welke soorten in zaad moeten komen. Maaitijdstippen die al lang gehanteerd worden en die voor een goed en soortenrijk glanshaver grasland gezorgd hebben worden best aangehouden. Ook nabegrazing is mogelijk, dit kan na de eerste maaibeurt vanaf half augustus of later als de doelsoorten nog in zaad moeten komen. Nabeweiding is een geschikte beheermaatregel voor hooilanden met een te geringe hergroei voor een tweede maaibeurt, maar een te hoge vegetatie om zo de winter in te gaan. Een lichte seizoensbeweiding, kan op droge, niet te voedselrijke bodem zorgen voor de instandhouding van een variant van het habitattype met ook een aandeel bloemrijke ruigte en struweel.

Herstel- en ontwikkelingsbeheer

Herstel of ontwikkeling van soortenrijke Glanshavergraslanden uit rompgemeenschappen is mogelijk door het invoeren van een aangepast maaibeheer en het achterwege laten van bemesting.

Afbeelding van groot streepzaad (Crepis biennis)
Groot streepzaad (Crepis biennis) © Jan van der Straaten (Saxifraga)

Criteria van gunstige staat van de habitat

Habitatstructuur

  • Hoge grassen * (> 100 cm) hebben een bedekking van < 70 %.
  • Middelhoge * (≤ 100 cm) hebben een bedekking van > 5 %.
  • Geen enkele soort is dominant (bedekking > 50 %).

Opmerkingen*

  • Met hoge grassen bedoelen we soorten hoger dan een meter zoals Glanshaver, Grote vossenstaart, Kweek, Timoteegras, Kropaar, Rietzwenkgras, Beemdlangbloem, Ruwe smele, Rietgras, Trosraaigras;
  • Met middelhoge grassen (≤ 100 cm) bedoelen we Reukgras, Goudhaver, Zachte haver, Rood Zwenkgras, Ruw beemdgras, Gewoon struisgras, Veldbeemdgras, Zachte dravik, Bevertjes, Kamgras, Trosdravik, Gestreepte witbol, Geknikte vossenstaart, Fioringras, Engels raaigras.

    Verstoringskenmerken

    • Verrijkingsindicatoren hebben een bedekking ≤ 30 % (streven naar een lagere bedekking).
    • Verruigingsindicatoren hebben een bedekking ≤ 30 %. Best streef je naar ≤ 10 %.
    • Een strooisellaag dikker van 1 cm komt ≤ 10 % voor. Best streef je naar < 5 %. Een teveel aan strooisel hindert de kieming van kenmerkende soorten, de oorzaak is meestal het slecht afvoeren van maaisel.
    • Vergrassingsindicatoren komen ≤ 50 % voor. Indien actueel minder dit behouden. Waar duurzaam mogelijk naar een lager aandeel streven.
    • Bramen hebben een bedekking ≤ 10 %. Best streef je naar geen af nauwelijks bramen (< 5 %).
    • Bomen en stuiken hebben een bedekking ≤ 10%. Best streef je naar geen of nauwelijks verbossing (< 5 %).
    Afbeelding van bloemrijk grasland naast een snelweg
    Bloemrijk grasland naast een snelweg © Jeroen Mentens, Vilda

    Vegetatie opbouw

    • Het aantal sleutelsoorten soorten is ≥ 7. Indien actueel meer sleutelsoorten aanwezig streef je naar het behouden hiervan. Waar het duurzaam kan streven we naar meer sleutelsoorten.
    • De sleutelsoorten hebben samen een bedekking van ≥ 30 %. Best streef je naar ≥ 50 %.

    Factoren die de kwaliteit van dit habitattype bepalen zijn:

    • Het maaibeheer en mogelijk de nabegrazing.
    • De voedselaanrijking door atmosferische depositie of door vermesting van intensief landbouwgebruik met verruiging als gevolg.
    • De successie naar ruigte, struweel en of bos.

    Waar in het landschap

    • Glanshavergraslanden vind je in hooilanden, hooiweiden en wegbermen, en zowel in beek- als riviervalleien. Ze komen dikwijls voor op beheerde, droge tot matig vochtige percelen in natuurreservaten.

    Bedreigingen

    • Door stopzetting van het maaibeheer verruigen de graslanden tot ruderale vegetaties.
    • Langs wegbermen wordt het habitattype vooral bedreigd door onaangepaste maaidata en geen of onvoldoende afvoer van het maaisel.
    • Overstromingen met verontreinigd water leiden tot het verdwijnen van gevoelige soorten.

    Partners

    Deze pagina werd mogelijk gemaakt dankzij de content van Ecopedia

    Deze pagina werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van het LIFE-programma van de EU in het kader van het LIFE Belgium for Biodiversity project (LIFE B4B).

    Lees meer