Over Renature Brussel Contact
nl
Een initiatief vanLeefmilieu Brussel

Beheer alluviale bossen (habitat 91E0)

Dit habitattype omvat Elzen-Essenbossen, Elzenbroekbossen en Wilgenbossen, die vooral voorkomen op alluviale bodems langs rivieren en beken en in moerassige depressies.

Afbeelding van een bronbos in de Vallei van de Kleine Flossendelle (Oudergem)

De natura 2000 habitat in het kort

Dit habitattype omvat Elzen-Essenbossen, Elzenbroekbossen en Wilgenbossen, die vooral voorkomen op alluviale bodems langs rivieren en beken en in moerassige depressies. Diverse subtypes, die elkaar soms overlappen, kunnen in Brussel worden onderscheiden. De subtypes die in Brussel onder dit habitatype vallen zijn:

  • Vogelkers-Essenbossen (Valleibossen of Beekbegeleidende bossen)
  • Essenbronbossen
  • Wilgenvloedbos of Zachthoutooibossen
  • Elzenbroekbossen met twee subtypes: Gewoon Elzenbos (Matig voedselrijk broekbos) en Ruigt-Elzenbos

Technische info

Doelgroep Professionals - Overheidinstanties
Seizoen Herfst - Winter - Lente - Zomer
Type actie Onderhouden - Beschermen - Diagnosticeren
Betrokken ruimte Natura 2000 - Groene ruimte
Niveau Ervaren  

Waarnemen, determineren, ontdekken

Officiële titel

Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)

Code

  • 91E0

Beschrijving

Dit habitattype omvat Elzen-Essenbossen (Alno-Padion), Elzenbroekbossen (Alno glutinasae) en Wilgenbossen (Salicion albae), die vooral voorkomen op alluviale bodems langs rivieren en beken en in moerassige depressies. Witte els (Alnus incana) en de bijhorende plantengemeenschap (Alnion incanae), waarnaar de naam van het habitattype verwijst, is evenwel niet autochtoon in Brussel. Diverse subtypes, die elkaar soms overlappen, kunnen in Brussel worden onderscheiden.

Subtypes

Beekbegeleidend Vogelkers-Essenbos

Beekbegeleidend Vogelkers-Essenbos (Pruno- Fraxinetum) komen overwegend voor langs waterlopen vooral langs beken, op bodems die ’s winters vanuit de waterloop kortstondig kunnen overstromen. De boomlaag is soortenrijk: naast Es komen ook Vogelkers, Grauwe abeel, Gladde iep, Zomereik en Zoete kers voor. Typisch is de voorjaarsflora (o.a. Slanke sleutelbloem, Grote keverorchis, Boswederik, Daslook, Eenbes, Bosanemoon, Speenkruid, Dotterbloem enz.) rijk. Het zomeraspect bestaat uit allerlei vochtminnende soorten (o.a. Moesdistel, Echte valeriaan, Moerasspirea, Kale jonker, Gele lis, Moeraszegge,) en meer ruderale soorten (zoals Dagkoekoeksbloem en Grote brandnetel). Op kwelplaatsen zijn vaak ook soorten uit het subtype ‘Essenbos’ aanwezig. Op de hoger gelegen plaatsen kan successie worden waargenomen naar Eiken-Haagbeukenbos (habitattype 9160).

Essenbronbos

Essenbronbos (ook Goudveil-Essenbos of Carici remotae-Fraxinetum) komt voor aan bronnen en bronbeken, op lemige tot zandlemige bodems en heeft een typische bronflora (o.a. Paarbladig en Verspreidbladig goudveil, Hangende zegge, Bittere veldkers enz.). Dit type wordt ook kortweg “bronbos” genoemd.

Afbeelding van een bronbos
Bronbos © Jeroen Mentens, Vilda

Raadpleeg de kaart met de Natura 2000-habitats

Wilgen(vloed)bossen

Wilgen(vloed)bossen (ook Zachthoutooibossen of Salicion albae) zijn typische climaxbossen van hoog uitgroeiende wilgen in de natuurlijke overstromingszones van grote rivieren. Karakteristiek zijn de regelmatige, langdurige overstromingen, vooral in het winterhalfjaar. Lokaal kan het bostype ook ontwikkelen in moerasgebieden waar de natuurlijke afwatering ontbreekt (afgesnoerde rivierarmen, kunstmatig gegraven terreinen). De karakteristieke boomsoort is de Schietwilg, die bij langdurige overstromingen een typisch kluwen van stamwortels kan ontwikkelen. Minder frequent voorkomende soorten zijn de Kraakwilg en de zeer zeldzame Zwarte populier; struikvormende wilgensoorten zoals Grauwe wilg en Katwilg kunnen in de ondergroei voorkomen. Typerend is dat afgebroken takken gemakkelijk wortel kunnen schieten en tot nieuwe bomen of struiken uitgroeien. In de ondergroei komen overwegend algemene soorten van moeras en natte ruigte voor, zoals Gele lis, Riet, Oeverzegge en Rietgras. Wilgenbossen in natte terreinen, die niet of slechts zeer uitzonderlijk onderhevig zijn aan extreme overstromingsdynamiek, worden niet tot dit subtype gerekend. Ze vormen meestal het pionierstadium in de successie naar één van vermelde types en worden daarentegen vaak gedomineerd door struikvormige, breedbladige wilgensoorten. In de rivier en de randen van rivierbegeleidende bossen leven twee zoogdieren, de Otter en de Bever. Van de eerste is er wellicht geen populatie meer aanwezig (staat ook als uitgestorven op de Rode lijst), de tweede zou zich kunnen ontwikkelen.

Elzenbroekbossen

Elzenbroekbossen (Alnion glutinosae) komen voornamelijk op meer venige bodems voor, met vaak langdurig stagnerend oppervlaktewater of een sterke kweltoevoer. Typisch is de afwisseling van open water, moerasvegetatie en verspreide Zwarte elzen. Het grondwater zakt in de zomer minder diep weg dan bij Vogelkers- Essenbossen. Naargelang de nutriëntenrijkdom van de standplaats worden verschillende subtypes onderscheiden:

  • Gewone Elzenbossen (ook Matige voedselrijke broekbossen, Mesotrofe broekbossen ofCarici elongatae- Alnetum) komen voor op minder voedselrijke standplaatsen en worden getypeerd door soorten als Moerasvaren, Elzenzegge, Pluimzegge, Zwarte bes en. Dit bostype kan zich ook spontaan ontwikkelen in de verlandingssuccessie door verbossing van mesotrofe trilvenen. Bij toevoer van basenrijke kwel komen ook soorten van bronbossen voor en in de ondiepe plasjes kunnen dan amfibische soorten als Waterviolier aangetroffen worden.
  • Het Ruigte-Elzenbos (Macrophorbio-Alnetum), ook eutroof elzenbroek genoemd, is typerend voor voedselrijke standplaatsen met vaak soortenarme ondergroei gedomineerd door soorten als Oeverzegge, Moeraszegge, Gele lis, Dotterbloem en op drogere plaatsen Grote brandnetel, Gewone engelwortel, Moerasspirea, Koninginnenkruid en Moesdistel. Het betreft vaak jonge bossen, aangeplant of spontaan ontwikkeld op verlaten voedselrijke natte hooilanden of zeggenmoerassen ofwel elzenbroeken met stagnering of periodieke overstroming van aangerijkt oppervlaktewater.

Enkele typische diersoorten voor bronbeken zijn o.a. Beekprik en Rivierdonderpad , Vuursalamander, Bosbeekjuffer, Gewone bronlibel en tal van andere specifieke zoetwatermacro-invertebraten. Typische broedvogels van broekbossen zijn o.a. Nachtegaal, Wielewaal, Roodmus, en Blauwborst. Langs grote rivieren en in grotere moerassen broeden ook Buidelmees, Kwak , Blauwe reiger en Aalscholver.

Voor andere types alluviaal bos kunnen nog o.a. Matkop, Houtsnip en Kleine bonte specht vermeld worden. Op wilgen en elzen leven een groot aantal dag- en nachtvlinders: de Grote weerschijnvlinder is bijvoorbeeld een bedreigde dagvlindersoort van open plekken en mantels en zomen met wilgen in broekbossen. Broekbossen en alluviale bossen worden verder gekenmerkt door een zeer grote diversiteit aan specifieke insecten en spinnen en hebben een rijke slakkenfauna, waaronder een aantal amfibische soorten.


Milieukenmerken

Hydrologie

Alle subtypes zijn grondwaterafhankelijk.

  • Vogelkers-Essenbossen: De pH is hoog (pH-CaCl2 hoger dan 4,1; of zelfs pH-KCl hoger dan 4,8) door buffering met basenrijk grondwater. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is nooit lager dan 32 cm onder het maaiveld, maar de bodem wordt in het vegetatieseizoen oppervlakkig droog.
  • Essenbronbossen: Bronbos ontwikkelt zich bij een permanent hoge grondwatertafel met uittredend grondwater in een reliëfrijke omgeving. Bronnen hebben meestal een hoge pH, maar die kan ook kalkarm zijn en de bodem kan een uiteenlopende textuur hebben. Het sulfaatgehalte van het bronwater mag niet hoger zijn dan 124 mg/l.
  • Gewone Elzenbossen: Mesotroof broekbos vereist een zeer hoge grondwatertafel met geringe schommelingen (Gemiddelde Laagste Grondwatertafel > -30 cm). Het grondwater is in de regel basenrijk met een pH die meestal hoger is dan 6. Door de constant hoge grondwaterstand treedt veenvorming op.
  • Ruigt-Elzenbossen: De gemiddelde grondwatertafel (GG) ligt tussen de 0.012- 0.34 m. Het grondwater zakt in de zomer minder diep weg dan bij Vogelkers-Essenbossen.

Bodem

  • Vogelkers-Essenbossen: Het Vogelkers-Essenbos is meestal beekbegeleidend maar kan ook zonaal voorkomen op bodems met een uiteenlopende textuur. Een strooisellaag is nauwelijks aanwezig (< 1 cm), het humustype wordt getypeerd als een mull.
  • Gewone Elzenbossen: De ondergrenswaarde voor de bodemzuurtegraad (pH-CaCl2) ligt op pH 3. Door het organische karakter van de bodem en door het stikstoffixerende vermogen van Zwarte els is een hoge Kjeldahl-N-voorraad aanwezig (0.36-1.02%). In de permanent natte, gereduceerde bodem kan de beschikbaarheid van P hoog zijn, met Olsen-P waarden tot tot 27 mg/kg bij een totale P-voorraad van maximaal 2252 mg/kg. Grenswaarden voor N-deposities zijn gelijkaardig aan andere broekbossen (26-34 kg N/ha/jaar).
  • Ruigt-Elzenbossen: Dit type komt voor op zware bodems, meestal rijk aan alluviale afzettingen, ofwel op venig substraat. Dit type heeft weinig specifieke bodemkenmerken, met een brede amplitude voor bijvoorbeeld bodem-pH-CaCl2 (grenswaarde > 3,9). Aangezien het zich vaak heeft ontwikkeld op bemeste graslanden of ontstaan is door een lichte verstoring van elzenbroek, is de grenswaarde voor Olsen-P relatief hoog (< 44,3 mg/kg). Grenswaarden voor N-deposities zijn niet bepaald, maar liggen vermoedelijk in de lijn van andere subtypen van 91E0 (26-34 kg N/ha/jaar). De strooisel-laag blijft onder de 5cm.

Milieukarakteristieken

  • Vogelkers-Essenbossen: Deze types komen voor op zware bodems, meestal rijk aan alluviale afzettingen. Het Vogelkers-Essenbos is eerder van een vochtige dan natte standplaats en overstroomt zeer zelden. Goed ontwikkelde voorbeelden van dit habitat vereisen zeer lage concentraties fosfaat (Olsen-P < 7,1 mg/kg). Hogere fosfaatbeschikbaarheid kan aanleiding geven tot dominantie van Grote brandnetel en verlies aan bosplanten met een geringe concurrentiekracht (Pigott & Taylor 1964; Pigott 1971; McKendrick 1996; De Keersmaeker et al. 2004; Baeten et al. 2010). De stikstofvoorziening is in dit habitat door de snelle mineralisatie en nitrificatie doorgaans minder bepalend (De Keersmaeker et al. 2004). De grenswaarden voor Kjeldahl N en atmosferische depositie liggen op respectievelijk 0,42% N en 26 kg N / ha/ jaar.
  • Essenbronbossen: Bronbossen komen voor op zware bodems, meestal rijk aan alluviale afzettingen. De grondwaterstand is relatief constant en hoog. Overstromingen treden sporadisch op en zijn beperkt in hoogte en duur. Bronbossen hebben een intermediaire nutriëntenbeschikbaarheid. De N-depositie bevind zich onder 28 kgN/ha/jaar. Er is weinig geweten over de abiotische milieukarakteristieken in bronbossen, omwille van hun zeer beperkte oppervlakte in Brussel.
  • Ruigt-Elzenbossen: In Ruigt elzenbos zijn de grondwaterfluctuaties sterker dan in veel andere natte bostypes als essenbronbos, of gewone elzenbos. Door de hoge natuurlijke voedselrijkdom zijn nutriënten er ook niet limiterend. Ruigt elzenbos heeft een korte ontwikkelingsduur.

Relaties

Fauna

Heeft als karakteristieke soorten (soorten die zich bij voorkeur in het betreffende habitattype voortplanten): 

  • Grote weerschijnvlinder (Apatura iris)
  • Kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camilla)
  • Vuursalamander (Salamandra salamandra)
  • Heeft als constante soorten (soorten die in de meeste van de gebieden met het betreffende habitattype aanwezig zijn, maar niet beperkt zijn tot het habitattype en die een indicator zijn van een goede biotische of abiotische toestand): 
  • Boomklever (Sitta europaea)
  • Bosuil (Strix aluco)
  • Goudvink (Pyrrhula pyrrhula)
  • Havik (Accipiter gentilis)
  • Matkop (Parus montanus)
  • Middelste bonte specht (Dendrocopus medius)
  • Nachtegaal (Luscinia megarhynchos)
  • Wespendief (Pernis apivorus)
  • Wielewaal (Oriolus oriolus)
  • Zwarte specht (Dryocopus martius)
  • Waterspitsmuis (Neomys fodiens)

Flora - subtype Vogelkers-Essenbos

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten in de kruidlaag: 

  • Muskuskruid (Adoxa moschatellina)
  • Daslook (Allium ursinum)
  • Bosanemoon (Anemone nemorosa)
  • Gevlekte aronskelk (Arum maculatum)
  • Dotterbloem (Caltha palustris)
  • Pinksterbloem (Cardamine pratensis)
  • Moerasstreepzaad (Crepis paludosa)
  • Ruwe smele (Deschampsia cespitosa)
  • Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea)
  • Groot springzaad (Impatiens noli-tangere)
  • Gele dovenetel (Lamium galeobdolon)
  • Boswederik (Lysimachia nemorum)
  • Eenbes (Paris quadrifolia)
  • Slanke sleutelbloem (Primula elatior)
  • Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus)
  • Bloedzuring (Rumex sanguineus)

Heeft als sleutelsoorten in de boom- en struiklaag:

  • Zwarte els (Alnus glutinosa)
  • Olm (Ulmus spp.)
  • Es (Fraxinus excelsior)
  • Vogelkers (Prunus padus)
  • Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus)
  • Hazelaar (Corylus avellana)
  • Rode kornoelje (Cornus sanguinea)
  • Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna)
  • Gelderse roos (Viburnum opulus)
  • Aalbes (Ribes rubrum)
  • Zwarte bes (Ribes nigrum)
  • Zomereik (Quercus robur)

Soorten die verstoring aanwijzen

Heeft als soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen: 

  • de bedekking van volgende planten wordt beoordeeld, Braam sp. (Rubus sp.)
  • Rietgras (Phalaris arundinacea)
  • Liesgras (Glyceria maxima)
  • Gewone vlier (Sambucus nigra)
  • Grote brandnetel (Urtica dioica)
  • Kleefkruid (Galium aparine)
  • Waterpeper (Polygonum hydropiper)
  • Pitrus (Juncus effusus)

Heeft als invasieve exoten in de kruidlaag: 

  • onder andere, Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum)
  • Japanse duizendknoop (Fallopia japonica)
  • Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis))
  • Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis)
  • Rimpelroos (Rosa rugosa)
  • Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum)
  • Schijnaardbei (Duchesnea indica)
  • Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii)
  • Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii))
  • Reuzen-, Oranje- en Tweekleurige balsemien (Impatiens glandulifera, I. capensis, I. balfourii)
  • Gele maskerbloem (Mimulus guttatus)
  • Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)


Heeft als invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag:

  • onder andere, Hemelboom (Ailanthus altissima)
  • Vlinderstruik (Buddleja davidii)
  • Amerikaanse eik (Quercus rubra)
  • Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina)
  • Robinia (Robinia pseudoacacia)
  • Rododendron (Rhododendron spp.)
  • uitheems naaldhout

Flora - subtype Essenbronbos

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten in de kruidlaag: 

  • Bittere veldkers (Cardamine amara)
  • Hangende zegge (Carex pendula)
  • Slanke zegge (Carex strigosa)
  • Verspreidbladig goudveil (Chrysosplenium alternifolium)
  • Paarbladig goudveil (Chrysosplenium oppositifolium)
  • Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia)

Heeft als sleutelsoorten in de boom- en struiklaag: 

  • Es (Fraxinus excelsior)
  • Zwarte els (Alnus glutinosa)
  • Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus)
  • Zomereik (Quercus robur)
  • Quercus x rosacea
  • Beuk (Fagus sylvatica)
  • Hazelaar (Corylus avellana)
  • Aalbes (Ribes rubrum)

Heeft als invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag:

  • Onder andere, Hemelboom (Ailanthus altissima)
  • Vlinderstruik (Buddleja davidii)
  • Amerikaanse eik (Quercus rubra)
  • Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina)
  • Robinia (Robinia pseudoacacia)
  • Rododendron (Rhododendron spp.)
  • uitheems naaldhout

Soorten die verstoring aanwijzen

Heeft als soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen

  • de bedekking van volgende planten wordt beoordeeld, Braam sp. (Rubus sp.)
  • Rietgras (Phalaris arundinacea)
  • Liesgras (Glyceria maxima)
  • Gewone vlier (Sambucus nigra)
  • Grote brandnetel (Urtica dioica)
  • Kleefkruid (Galium aparine)
  • Waterpeper (Polygonum hydropiper)
  • Pitrus (Juncus effusus)

Heeft als invasieve exoten in de kruidlaag: 

  • onder andere, Reuzen-, Oranje- en Tweekleurige balsemien (Impatiens glandulifera, I. capensis, I. balfourii)
  • Gele maskerbloem (Mimulus guttatus)
  • Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

Flora - subtype Wilgen(vloed)bos

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten in de kruidlaag: 

  • Fluitenkruid (Anthriscus sylvestris)
  • Zwart tandzaad (Bidens frondosa)
  • Spindotterbloem (Caltha palustris var. araneosa)
  • Bittere veldkers (Cardamine amara)
  • Hop (Humulus lupulus)
  • Gele lis (Iris pseudacorus)
  • Zomerklokje (Leucojum aestivum)
  • Wolfspoot (Lycopus europaeus)
  • Riet (Phragmites australis)
  • Waterpeper (Polygonum hydropiper)
  • Gele waterkers (Rorippa amphibia)
  • Bitterzoet (Solanum dulcamara)

Heeft als sleutelsoorten in de boom- en struiklaag: 

  • Duitse dot (Salix dasyclados)
  • Amandelwilg x Katwilg (Salix x mollissima)
  • Amandelwilg (Salix triandra)
  • Schietwilg (Salix alba)
  • Kraakwilg (Salix fragilis)
  • Bindwilg (Salix x rubens
  • Katwilg (Salix viminalis)

Soorten die verstoring aanwijzen

Heeft als soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen: 

  • de bedekking van volgende planten wordt beoordeeld
  • Braam sp. (Rubus sp.)
  • Rietgras (Phalaris arundinacea)
  • Liesgras (Glyceria maxima)
  • Grote brandnetel (Urtica dioica)
  • Kleefkruid (Galium aparine)

Heeft als invasieve exoten in de kruidlaag: 

  • onder andere, Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum)
  • Japanse duizendknoop (Fallopia japonica)
  • Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis))
  • Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis)
  • Rimpelroos (Rosa rugosa)
  • Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum)
  • Schijnaardbei (Duchesnea indica)
  • Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii)
  • Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii))
  • Reuzen-, Oranje- en Tweekleurige balsemien (Impatiens glandulifera, I. capensis, I. balfourii) 
  • Gele maskerbloem (Mimulus guttatus)
  • Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

Heeft als sleutelsoorten in de boom- en struiklaag:

  • Zwarte els (Alnus glutinosa)
  • Zachte berk (Betula pubescens)
  • Sporkehout (Frangula alnus)
  • Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia)
  • Ruwe berk (Betula pendula)
  • Grauwe wilg (Salix cinerea)
  • Geoorde wilg (Salix aurita)
  • Es (Fraxinus excelsior)
  • Zwarte bes (Ribes nigrum)

Flora - subtype Gewoon Elzenbroek

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten in de kruidlaag

  • Slangenwortel (Calla palustris)
  • Dotterbloem (Caltha palustris)
  • Stijve zegge (Carex elata)
  • Elzenzegge (Carex elongata)
  • Pluimzegge (Carex paniculata)
  • Hoge cyperzegge (Carex pseudocyperus)
  • Kamvaren (Dryopteris cristata)
  • Moeraswalstro (Galium palustre)
  • Gele lis (Iris pseudacorus)
  • Wolfspoot (Lycopus europaeus)
  • Grote wederik (Lysimachia vulgaris)
  • Blauw glidkruid (Scutellaria galericulata)
  • Bitterzoet (Solanum dulcamara)
  • Moerasvaren (Thelypteris palustris)
  • Bosbies (Scirpus sylvaticus)
  • Holpijp (Equisetum fluviatile)
  • Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata)
  • Wateraardbei (Potentilla palustris)


Soorten die verstoring aanwijzen

Heeft als soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen: 

  • de bedekking van volgende planten wordt beoordeeld, Braam sp. (Rubus sp.)
  • Rietgras (Phalaris arundinacea)
  • Liesgras (Glyceria maxima)
  • Gewone vlier (Sambucus nigra)
  • Grote brandnetel (Urtica dioica)
  • Kleefkruid (Galium aparine)
  • Waterpeper (Polygonum hydropiper)
  • Pitrus (Juncus effusus)

Heeft als invasieve exoten in de kruidlaag: 

  • onder andere, Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum)
  • Japanse duizendknoop (Fallopia japonica)
  • Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis))
  • Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis)
  • Reuzen-, Oranje- en Tweekleurige balsemien (Impatiens glandulifera, I. capensis, I. balfourii)
  • Gele maskerbloem (Mimulus guttatus)
  • Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

Heeft als invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: 

  • onder andere, Hemelboom (Ailanthus altissima)
  • Amerikaanse eik (Quercus rubra)
  • Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina)
  • uitheems naaldhout

Flora - subtype Ruigt-Elzenbos

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten in de kruidlaag: 

  • Moeraszegge (Carex acutiformis)
  • Oeverzegge (Carex riparia)
  • Moesdistel (Cirsium oleraceum)
  • Kale jonker (Cirsium palustre)
  • Moerasspirea (Filipendula ulmaria)
  • Moeraswalstro (Galium palustre)
  • Gele lis (Iris pseudacorus)
  • Wolfspoot (Lycopus europaeus)
  • Hop (Humulus lupulus)
  • Penningkruid (Lysimachia nummularia)
  • Grote wederik (Lysimachia vulgaris)
  • Grote kattenstaart (Lythrum salicaria)
  • Melkeppe (Peucedanum palustre)
  • Riet (Phragmites australis)
  • Bitterzoet (Solanum dulcamara)


Heeft als sleutelsoorten in de boom- en struiklaag:

  • Zwarte els (Alnus glutinosa)
  • Zachte berk (Betula pubescens)
  • Boswilg (Salix caprea) en andere breedbladige wilgensoorten
  • Aalbes (Ribes rubrum)
  • Zwarte bes (Ribes nigrum)
  • Olm (G) (Ulmus spp.)
  • Es (Fraxinus excelsior)
  • Vogelkers (Prunus padus)
  • Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus)
  • Hazelaar (Corylus avellana)
  • Rode kornoelje (Cornus sanguinea)
  • Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna)
  • Gelderse roos (Viburnum opulus)

Soorten die verstoring aanwijzen

Heeft als soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen: 

  • de bedekking van volgende planten wordt beoordeeld, Braam sp. (Rubus sp.)
  • Rietgras (Phalaris arundinacea)
  • Liesgras (Glyceria maxima)
  • Grote brandnetel (Urtica dioica)
  • Kleefkruid (Galium aparine)
  • Waterpeper (Polygonum hydropiper)
  • Pitrus (Juncus effusus)

Heeft als invasieve exoten in de kruidlaag: 

  • onder andere, Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum)
  • Japanse duizendknoop (Fallopia japonica)
  • Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis))
  • Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis)
  • Reuzen-, Oranje- en Tweekleurige balsemien (Impatiens glandulifera, I. capensis, I. balfourii)
  • Gele maskerbloem (Mimulus guttatus)
  • Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)


Heeft als invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag:

  • onder andere, Hemelboom (Ailanthus altissima)
  • Amerikaanse eik (Quercus rubra)
  • Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina)
  • uitheems naaldhout

Natura 2000-doelhabitat

Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. 

Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.

SBZ I : Zoniënwoud en vallei van de Woluwe

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.
  • Behoud of progressieve ontwikkeling van de overgang tussen de verschillende evolutiestadia van dit type habitat (6430; dotterbloemgrasland; rietvegetaties; …).

Kwalitatieve doelstellingen

  • Evolueren naar een gunstige staat van instandhouding over 50 % van de oppervlakte.
  • Evolueren naar een gunstige staat van instandhouding voor het subtype Essenbronbos.
  • Behoud van staand en liggend dood hout naar rato van 5 % van het totale staande houtvolume.
  • Behoud of progressief herstel van de boom- en struiklagen bestaande uit een mengsel van voor deze habitat kenmerkende soorten zoals Alnus glutinosa, Alnus glutinosa, Betula pubescens, Frangula alnus, Sorbus aucuparia, Betula pendula, Salix cinerea, Fraxinus excelsior, Prunus padus, Corylus avellana, Cornus sanguinea, Crataegus monogyna, Viburnum opulus, Alnus glutinosa, Sambucus nigra, Acer pseudoplatanus, Quercus robur, Ulmus laevis, Ulmus minor.
  • Opheffen van verdroging en eutrofiëring.

SBZ II : Bossen en open gebieden in Ukkel

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste, behoud van de bestaande oppervlakte.
  • Ten minste behoud van de 7,1 ha van deze habitat in het natuurreservaat Kinsendaal-Kriekenput.
  • Behoud of progressieve ontwikkeling van de overgang tussen de verschillende evolutiestadia van dit type habitat (6430; dotterbloemgrasland; rietvegetaties; watervlakken; waterlopen;…).

Kwalitatieve doelstellingen

  • Ten minste het behoud van de bij identificatie van het gebied aanwezige kwalitatieve staat van instandhouding.
  • Ontwikkeling van een boshabitat met gediversifieerde horizontale en verticale structuur.
  • Behoud van staand en liggend dood hout naar rato van 4% van het totale staande houtvolume.
  • Behoud of progressief herstel van de boom- en struiklagen bestaande uit een mengsel van voor deze habitat kenmerkende soorten zoals de Alnus glutinosa, Betula pubescens, Frangula alnus, Sorbus aucuparia, Betula pendula, Salix cinerea, Salix aurita, Salix repens, Fraxinus excelsior, Prunus padus, Corylus avellana, Cornus sanguinea, Crataegus monogyna, Viburnum opulus, Fraxinus excelsior, Alnus glutinosa, Sambucus nigra, Acer pseudoplatanus, Quercus robur.
  • Op het niveau van het kronendak moet minimaal 70% van de voor de habitat kenmerkende soorten worden bereikt.

SBZ III : Bossen en vochtige gebieden van de Molenbeekvallei

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.
  • Behoud of progressieve ontwikkeling van de overgang tussen de verschillende evolutiestadia van dit type habitat (6430; dotterbloemgrasland; rietvegetaties; …).

Kwalitatieve doelstellingen

  • Evolueren naar een gunstige staat van instandhouding over 50 % van de oppervlakte.
  • Ontwikkeling van een boshabitat met gediversifieerde horizontale en verticale structuur.
  • Behoud van staand en liggend dood hout naar rato van 10 % van het totale staande houtvolume.
  • Behoud of progressief herstel van de boom- en struiklagen bestaande uit een mengsel van voor deze habitat kenmerkende soorten zoals Alnus glutinosa, Betula pubescens, Frangula alnus, Sorbus aucuparia, Betula pendula, Salix cinerea, Fraxinus excelsior, Prunus padus, Corylus avellana, Cornus sanguinea, Crataegus monogyna, Viburnum opulus, Alnus glutinosa, Sambucus nigra, Acer pseudoplatanus, Quercus robur, Ulmus laevis, Ulmus minor.
  • Verwijderen van verdroging en eutrofiëring.
  • Op het niveau van het kronendak moet minimaal 70 % van de voor de habitat kenmerkende soorten worden bereikt.

Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

Afbeelding van een omgevallen boom over een sloot in een bos is een geliefde route voor boommarters om zich door het natte broekbos met schietwilgen (Salix alba) en zwarte elzen (Alnus glutinosa) te verplaatsen.
Een omgevallen boom over een sloot in een bos is een geliefde route voor boommarters om zich door het natte broekbos met schietwilgen (Salix alba) en zwarte elzen (Alnus glutinosa) te verplaatsen. © Lars Soerink (Vilda)

Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.

  • Bevorderen van de natuurlijke en typische soorten van de habitat bij aanplantingen en/of bij de natuurlijke vernieuwing.
  • Uitbreiden van de hoeveelheid staand of liggend dood hout.
  • Actief beheren van invasieve exotische soorten, vermeld in bijlage IV van de ordonnantie, om hun verspreiding in te perken of om ze te verwijderen.
  • Opheffen van de bronnen van eutrofiëring.
  • Opvangen en/of laten insijpelen van regen- en bronwater van goede kwaliteit.
  • Opheffen van de lozingen van afvalwater en mogelijk vervuild water afkomstig van transportinfrastructuren.
  • Afvoeren van afvalwater via de riolen, of plaatselijk zuiveren ervan.
  • Ecologisch herstellen van waterlopen, waterpartijen, bron- en kwelzones.
  • Kanaliseren van het recreatieve gebruik om de kwetsbare gebieden te beschermen.
  • Ontwikkelen van bosrandvegetatie op de grens van de bospercelen en in de open plekken.
Afbeelding van reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia)
Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia) © Ed Stikvoort (Saxifraga)

Beheer alluviale bossen

Onderhoudsbeheer

Het uitwendig beheer is voornamelijk gericht op het behoud van een goede kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, natuurlijke grondwaterpeilen en een natuurlijke overstromingsdynamiek. Door de zeer hoge kwetsbaarheid is het behoud van deze bostypes moeilijk te combineren met een klassiek, economisch rendabel multifunctioneel bosbeheer. Enkel in de zwak ontwikkelde vormen en in de meest robuuste types (drogere vormen van het eutroof Ruigt-Elzenbroek) is duurzame houtproductie mogelijk zonder degraderend te werken. Natuurtechnisch beheer in deze types kan bestaan uit nietsdoen-beheer of kleinschalig hakhoutbeheer. De natte en kwetsbare types zijn ongeschikt voor begrazing. Enkel de drogere, robuuste varianten zijn matig geschikt voor begrazing bij zeer lage dichtheden en op een grote oppervlakte indien hoger gelegen, open terreinen mee zijn ingerasterd.

Herstel- en ontwikkelingsbeheer

Gedegradeerde bossen kunnen hersteld worden door herstel van de waterkwaliteit, natuurlijke waterpeilen en rivierdynamiek. Met populieren ingeplante bossen kunnen worden hersteld door spontane successie waarbij de populieren na verloop van tijd vanzelf afsterven. Actieve omvorming is ook mogelijk maar bij de exploitatie van de populieren doet men vaak meer schade dan voordeel, en dit is eigenlijk alleen wenselijk indien er terug omvorming gebeurt naar hak- en middelhout. Bij actieve omvorming kan exploitatieschade worden vermeden door de bomen te laten liggen of uit te halen met kabellift of lier. Relatief structuurrijke Ruigt-Elzenbossen en mesotrofe broekbossen kunnen reeds op termijn van enkele decennia ontstaan door spontane successie van andere vallei-ecotopen en bieden (in tegenstelling tot de meeste andere bostypen) goede mogelijkheden om relatief snel grotere aaneengesloten eenheden met hoge natuurkwaliteit te realiseren. De ontwikkeling van wilgenvloedbos in bv. kommen van riviervalleien gaat nog sneller en kan als pionierbos ook optreden in antropogene milieus, zoals afgravingen of moerassige opgespoten terreinen.

Criteria van gunstige staat

Subtype Vogelkers-Essenbos

Vegetatieopbouw

  • De sleutelsoorten in de kruidlaag bedekken minstens 30% EN er zijn minstens 7 soorten aanwezig.
  • De sleutelsoorten van de struik- en boomlaag bedekken minsten 70% van het grondvlak.

Habitatstructuur

  • Alle vegetatielagen zijn minstens frequent aanwezig.
  • Het bos is ongelijkjarig gemengd OF groepsgewijze menging met gelijkjarige groepen tot 1 ha.
  • Groeiklasse 7-bomen zijn aanwezig OF er zijn minstens 3 groeiklassen aanwezig.
  • Aandeel dood hout is meer dan 4%, het aandeel dik dood hout (meer dan 40 cm diameter) is gelijk of hoger dan 1 exemplaar per hectare.
  • De bosconstantie (hoe lang het bosperceel al bos is) is meer dan 75 jaar.

Verstoringskenmerken

  • Invasieve exoten zijn slechts sporadisch aanwezig in de kruidlaag EN vormen maximaal 10% bedekking in de boom- en struiklaag.
  • Zones met dominantie van verruigingsindicatoren nemen een oppervlakteaandeel in ≤ grenswaarde:
    - alle verruigingssoorten samen bedekken minder dan 30%.
    - Gewone braam, rietgras en liesgras bedekken maximaal 10%.
    - Vlier, Grote brandnetel en Kleefkruid bedekken maximaal 10%.
    - Waterpeper en Pitrus samen bedekken maximaal 10%.
Welke zijn de verschillende groeiklassen?

Groeiklassen gebruik je om de horizontale structuur of ontwikkelingsfasen van het bos te evalueren. Een ecologisch goed ontwikkeld bos heeft 3 of meer verschillende groeifases met best ook dikke bomen. Bij de meeste bostypes zijn de dikke bomen groeifase 7, bij sommige bostypes worden de bomen niet vaak zo dik en kan dit fase 6 of 5 zijn.

De klassen zijn:

  1. Open plek (tijdelijk boomvrije oppervlakte).
  2. Vroege stadia van natuurlijke bebossing met habitat-typische pionierhoutsoorten (gemiddelde hoogte < 2m).
  3. Jonge boompjes (gemiddelde hoogte 2m).
  4. Palen (gemiddelde hoogte > 2 m en diameter tot 13 cm / omtrek < 40 cm).
  5. Hout met geringe tot middelmatige dikte (diameter stam 14-49 cm / omtrek 40-149 cm).
  6. Dik hout (diameter stam 50-79 cm / omtrek 150-240 cm).
  7. Zeer dik hout (diameter stam 80 cm / omtrek > 240 cm).

Subtype Essenbronbos

Vegetatieopbouw

  • Er zijn minstens 2 sleutelsoorten in de kruidlaag aanwezig.
  • De sleutelsoorten van de struik- en boomlaag bedekken minsten 70% van het grondvlak.

Habitatstructuur

    • Alle vegetatielagen zijn minstens frequent aanwezig.
    • Het bos is ongelijkjarig gemengd OF groepsgewijze menging met gelijkjarige groepen tot 1 ha.
    • Groeiklasse 7-bomen zijn aanwezig OF er zijn minstens 3 groeiklassen aanwezig.
    • Aandeel dood hout is meer dan 4%, het aandeel dik dood hout (meer dan 40 cm diameter) is gelijk of hoger dan 1 exemplaar per hectare.
    • De bosconstantie (hoe lang het bosperceel al bos is) is meer dan 75 jaar.

    Verstoringskenmerken

    • Invasieve exoten zijn slechts sporadisch aanwezig in de kruidlaag EN vormen maximaal 10% bedekking in de boom- en struiklaag.
    • Zones met dominantie van verruigingsindicatoren nemen een oppervlakteaandeel in ≤ grenswaarde:
      - Braam sp., Vlier, Grote brandnetel, Kleefkruid, Rietgras en Liesgras bedekken samen maximaal 10%
      - Waterpeper en Pitrus zijn elk hoogstens zeer schaars aanwezig.

    Subtype Wilgen(vloed)bos

    Vegetatieopbouw

    • De sleutelsoorten in de kruidlaag bedekken minstens 30% EN er zijn minstens 7 soorten aanwezig.
    • De sleutelsoorten van de struik- en boomlaag bedekken minsten 70% van het grondvlak.

    Habitatstructuur

      • Groeiklasse 5, 6 of 7-bomen zijn aanwezig OF er zijn minstens 3 groeiklassen aanwezig.
      • Aandeel dood hout is meer dan 4%, het aandeel dik dood hout (meer dan 40 cm diameter) is gelijk of hoger dan 1 exemplaar per hectare.
      • De bosconstantie (hoe lang het bosperceel al bos is) is meer dan 30 jaar.

      Verstoringskenmerken

        • invasieve exoten zijn slechts sporadisch aanwezig in de kruidlaag.
        • De bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de volgende grenswaarde: Braam sp., Rietgras, Liesgras , Grote brandnetel en Kleefkruid samen: ≤50%;

        Subtype Gewoon Elzenbroek

        Vegetatieopbouw

        • De sleutelsoorten in de kruidlaag bedekken minstens 30% EN er zijn minstens 7 soorten aanwezig.
        • De sleutelsoorten van de struik- en boomlaag bedekken minsten 70% van het grondvlak.

        Habitatstructuur

          • Alle vegetatielagen zijn minstens frequent aanwezig.
          • Het bos is ongelijkjarig gemengd OF groepsgewijze menging met gelijkjarige groepen tot 1 ha.
          • Groeiklasse 7-bomen zijn aanwezig OF er zijn minstens 3 groeiklassen aanwezig.
          • Aandeel dood hout is meer dan 4%, het aandeel dik dood hout (meer dan 40 cm diameter) is gelijk of hoger dan 1 exemplaar per hectare.
          • De bosconstantie (hoe lang het bosperceel al bos is) is meer dan 30 jaar.

          Verstoringskenmerken

          • Invasieve exoten zijn slechts sporadisch aanwezig in de kruidlaag EN vormen maximaal 10% bedekking in de boom- en struiklaag.
          • Zones met dominantie van verruigingsindicatoren nemen een oppervlakteaandeel in ≤ grenswaarde:
            - Alle verruigingssoorten samen bedekken minder dan 30%.
            - Gewone braam, rietgras en liesgras bedekken maximaal 10%.
            - Vlier, Grote brandnetel en Kleefkruid bedekken maximaal 10%.
            -Waterpeper en Pitrus samen bedekken maximaal 10%.

          Subtype Ruigt-Elzenbos

          Afbeelding van ruigt elzenbos
          Ruigt elzenbos © Jeroen Mentens (Vilda)

          Vegetatieopbouw

          • De sleutelsoorten in de kruidlaag bedekken minstens 30% EN er zijn minstens 10 soorten aanwezig.
          • De sleutelsoorten van de struik- en boomlaag bedekken minsten 70% van het grondvlak.

          Habitatstructuur

          • Alle vegetatielagen zijn minstens frequent aanwezig.
          • Het bos is ongelijkjarig gemengd OF groepsgewijze menging met gelijkjarige groepen tot 1 ha.
          • Groeiklasse 7-bomen zijn aanwezig OF er zijn minstens 3 groeiklassen aanwezig.
          • Aandeel dood hout is meer dan 4%, het aandeel dik dood hout (meer dan 40 cm diameter) is gelijk of hoger dan 1 exemplaar per hectare.
          • De bosconstantie (hoe lang het bosperceel al bos is) is meer dan 30 jaar.

          Verstoringskenmerken

            • Invasieve exoten zijn slechts sporadisch aanwezig in de kruidlaag EN vormen maximaal 10% bedekking in de boom- en struiklaag.
            • Zones met dominantie van verruigingsindicatoren nemen een oppervlakteaandeel in ≤ grenswaarde:
              - Alle verruigingssoorten samen bedekken minder dan 30%.
              - Gewone braam, rietgras en liesgras bedekken maximaal 10%.
              - Grote brandnetel en Kleefkruid bedekken samen maximaal 30%.
              - Waterpeper en Pitrus samen bedekken samen maximaal 10%.

            Bedreigingen

            • Verruiging treedt op door verdroging (tengevolge van waterwinning, inpoldering, drainage of ontwatering) en door toevoer of overstromingen van water met slechte kwaliteit.
            • Beekruimingen zorgen voor ophoging van oevers en verstoring van de hydrologie en bodem.
            • Door rechttrekking, verbreding en oeverversteviging wordt de natuurlijke dynamiek van de waterloop gewijzigd, evenals door hydrologische wijzigingen in het bovenstrooms gebied (versnelde watertoevoer door verharding, verbeterde drainage, riooloverstorten e.d.).
            • Versnippering.
            • Gevoelig voor intensieve recreatie, maar voor doorsnee recreant weinig toegankelijk.
            • In het verleden werden veel waardevolle structuur- en soortenrijke alluviale en broekbossen omgevormd naar intensieve, economisch georiënteerde populierenaanplanten. Dit ging gepaard met drainage, kaalslagpraktijken en korte omlooptijden met grote exploitatieschade (bv. bodemverdichting en spoorvorming) en een sterke degradatie door soortenverlies, homogenisering en structuurverlies.

            Partners

            Deze pagina werd mogelijk gemaakt dankzij de content van Ecopedia

            Deze pagina werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van het LIFE-programma van de EU in het kader van het LIFE Belgium for Biodiversity project (LIFE B4B).

            Lees meer

            Gerelateerde soortenfiches