Over Renature Brussel Contact
nl
Een initiatief vanLeefmilieu Brussel

Beheer beukenbossen met wilde hyacint (habitat 9130)

Dit habitattype omvat de beukenbossen met een goed ontwikkelde voorjaarsflora, die voorkomen op pH-neutrale bodems met een goed verteerde humuslaag.

Afbeelding van beukenbossen Asperulo-Fagetum (9130) met Wilde hyacint (Hyacinthoides non-scripta) in Brussel (Rood Klooster)

De natura 2000 habitat in het kort

Dit habitattype omvat de beukenbossen met een goed ontwikkelde voorjaarsflora, die voorkomen op pH-neutrale bodems met een goed verteerde humuslaag. We onderscheiden twee types binnen dit habitattype.

  • Een bostype met Wilde hyacint waarbij tapijten van Wilde hyacint karakteristiek zijn. Daarnaast komt veel Wijfjesvaren voor, evenals Bosanemoon, en op vochtige plaatsen ook Daslook. Dit type komt sterk overeen met het Essen-Eikenbos, het verschil is de aanwezigheid van Wilde hyacint.
  • Een tweede bostype dat onder dit habitattype valt is het Parelgras-Beukenbos. Dit type is een Beukenbos op meer basische bodem met als typische soorten Eenbloemig parelgras en Lievevrouwebedstro.

Technische info

Doelgroep Professionals - Overheidinstanties
Seizoen Herfst - Winter - Lente - Zomer
Type actie Onderhouden - Beschermen - Diagnosticeren
Betrokken ruimte Natura 2000 - Groene ruimte
Niveau Ervaren  

Waarnemen, determineren, ontdekken

Officiële titel

Beukenbossen behorend tot het Asperulo-Fagetum

Code

9130

Beschrijving

Dit habitattype omvat de beukenbossen met een goed ontwikkelde voorjaarsflora in het Midden-Europees en Atlantisch deel van West-, Centraal- en Oost-Europa, die voorkomen op pH-neutrale bodems met een goed verteerde, sterk gemineraliseerde humuslaag. Er wordt een onderscheid tussen twee subtypes gemaakt:

  • Het Midden-Europese neutrofiel beukenbos wordt vaak benoemd als Parelgras- Beukenbos. Kenmerkende soorten in de kruidlaag zijn Eenbloemig parelgras en Lievevrouwebedstro. Daarnaast vind je in deze bossen soorten van neutrale tot kalkrijke bodem zoals Bosbingelkruid, Heelkruid, Ruig klokje, Amandelwolfsmelk en Vogelnestje.
  • Het Atlantische neutrofiel Beukenbos (Eiken-Beukenbos met Wilde hyacint) omvat bossen met dominantie van Zomereik, Es of Beuk, aangevuld met Gladde iep en Zoete kers. Karakteristiek is de aanwezigheid van tapijten van Wilde hyacint. Daarnaast komt veel Wijfjesvaren voor, evenals Bosanemoon, en op vochtige plaatsen ook Daslook. Typische Atlantische soorten zijn Spekwortel en Schedegeelster. De wat zuurdere variant van dit bostype heeft soorten gemeen met de Eiken-Beukenbossen op zure bodem (9120) zoals Witte klaverzuring en Bosgriestgras. De meer neutrale variant heeft veel soorten gemeen met het Essen-Eikenbos (9160). Het verschil zit hem in de aanwezigheid van Wilde hyacint. In zowel het Parelgras-Beukenbos als het Eiken-Beukenbos met Wilde hyacint komen soorten voor als Hazelaar, Gewone esdoorn, Grauwe abeel en soms ook Haagbeuk, Rode kornoelje, Spaanse aak, Wilde kardinaalsmuts, Eenstijlige meidoorn, Gewone vlier en Gelderse roos. De kruidlaag bestaat uit soorten als Gele dovenetel, Kleine maagdenpalm, Bosanemoon, Gevlekte aronskelk en Grote muur.
Afbeelding van beukenbossen Asperulo-Fagetum (9130) met Wilde hyacint (Hyacinthoides non-scripta) in Brussel (Rood Klooster)
Beukenbossen Asperulo-Fagetum (9130) met Wilde hyacint (Hyacinthoides non-scripta) in Brussel (Rood Klooster) © Jeroen Mentens (Vilda)

Raadpleeg de kaart met de Natura 2000-habitats

Dit habitattype is van essentieel belang voor een aantal soorten die gebonden zijn aan deze boscomplexen of aan de habitatdiversiteit die hier mogelijk is (bv. mantels en interne bosranden). Ook voor het behoud van monumentale oude bomen en de daaraan gekoppelde fauna en flora is dit habitattype van groot belang. Een belangrijk deel van de monumentale bomen (omtrek groter dan 3 meter) in onze bossen bevindt zich in dit habitattype.

Dit habitattype is o.a. zeer belangrijk voor de Middelste bonte, Zwarte specht en Wespendief, en verder ook voor een groot aantal vogels van structuurrijke loofbossen (o.a. Fluiter, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Bosuil). Oude, dode en kwijnende bomen met holtes zijn essentieel voor soorten als Boommarter, vleermuizen en voor het behoud en de ontwikkeling van een rijke gemeenschap van ongewervelde dieren (o.a. Boskrekel), mossen en fungi. Voldoende structuurrijkdom impliceert ook open plekken, mantels en zomen, met geassocieerde fauna en flora (lichtminnende plantensoorten, Hazelworm, Hazelmuis, zweefvliegen van oud bos, Kleine ijsvogelvlinder in mantels en open plekken met Kamperfoelie, enz.). Ook voor Vuursalamander is dit habitattype zeer belangrijk. Dit bostype is rijk aan slakkensoorten.


Milieukenmerken

Hydrologie

Dit habitattype is grondwaterafhankelijk.

Bodem

Deze bostypen komen voor op neutrale, matig voedselrijke leembodems met een goed ontwikkelde humuslaag. Ze zijn zeer sterk gebonden aan leemgronden: de leemfractie moet steeds hoger zijn dan 58%. Er is een beperkte verzuring: deze bostypen zijn zeer gevoelig voor verzuring van de bodem, met de ondergrens voor pH-CaCl2 op 3.0. Soortenrijke bossen hebben echter nood aan een veel neutralere pH waarde (pH-CaCl2 >5). Bij een verdere verzuring onder de grenswaarde zal de voorjaarsflora grotendeels verdwijnen.

De stikstofdepositie van dit type moet onder 20 kg/ha/jaar blijven, en tussen 0,27-0.53% N_Kj bevatten. De fosforconcentratie in de bodem ligt onder 60,5 mg P/kg. De beschikbaarheid van P zal hoger zijn in matig zure bodems dan in sterk zure of kalkrijke bodems. De strooisellaag blijft onder 6,3 cm hoogte en mengt vrij goed met de minerale bodem.

Relaties

Flora

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten in de kruidlaag: 

  • Muskuskruid (Adoxa moschatellina)
  • Daslook (Allium ursinum)
  • Gevlekte aronskelk (Arum maculatum)
  • Bosanemoon (Anemone nemorosa)
  • Ruig klokje (Campanula trachelium)
  • Boszegge (Carex sylvatica)
  • Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana)
  • Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas)
  • Amandelwolfsmelk (Euphorbia amygdaloides)
  • Wilde hyacint (Hyacinthoides non-scripta)
  • Schedegeelster (Gagea spathacea)
  • Lievevrouwebedstro (Galium odoratum)
  • Gele dovenetel (Lamium galeobdolon)
  • Eenbloemig parelgras (Melica uniflora)
  • Bosbingelkruid (Mercurialis perennis)
  • Bosgierstgras (Milium effusum)
  • Wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus)
  • Vogelnestje (Neottia nidus-avis)
  • Witte klaverzuring (Oxalis acetosella)
  • Eenbes (Paris quadrifolia)
  • Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum)
  • Aardbeiganzerik (Potentilla sterilis)
  • Slanke sleutelbloem (Primula elatior)
  • Heelkruid (Sanicula europaea)
  • Grote muur (Stellaria holostea)
  • Spekwortel (Tamus communis)
  • Kleine maagdenpalm (Vinca minor)
  • Donkersporig/Bleeksporig bosviooltje (Viola reichenbachiana/riviniana)
  • Heeft als sleutelsoorten in de boom- en struiklaag:

  • Beuk (Fagus sylvatica)
  • Zomereik (Quercus robur)
  • Quercus × rosacea
  • Wintereik (Quercus petraea)
  • Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus)
  • Noorse esdoorn (Acer platanoides)
  • Es (Fraxinus excelsior)
  • Zoete kers (Prunus avium)
  • Hazelaar (Corylus avellana)
  • Haagbeuk (Carpinus betulus)
  • Spaanse aak (Acer campestre)
  • Zomerlinde (Tilia platyphyllos)
  • Rode kornoelje (Cornus sanguinea)
  • Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus)
  • Soorten die verstoring aanwijzen

    Heeft als soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen: 

  • Braam sp. (Rubus sp.)
  • Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata)
  • Witbol (Holcus lanatus/mollis)
  • Gewone vlier (Sambucus nigra)
  • Grote brandnetel (Urtica dioica)
  • Hondsdraf (Glechoma hederacea)
  • Kleefkruid (Galium aparine)
  • Waterpeper (Polygonum hydropiper)
  • Pitrus (Juncus effusus)
  • IJle zegge (Carex remota)
  • Heeft als invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere

  • Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum)
  • Japanse duizendknoop (Fallopia japonica)
  • Boheemse duizendknoop (Fallopia × bohemica (F. japonica × sachalinensis))
  • Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis)
  • Rimpelroos (Rosa rugosa)
  • Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum)
  • Schijnaardbei (Duchesnea indica)
  • Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii)
  • Bastaardspirea (Spiraea × billardii (S. alba × douglasii))
  • Heeft als invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere

  • Hemelboom (Ailanthus altissima)
  • Vlinderstruik (Buddleja davidii)
  • Amerikaanse eik (Quercus rubra)
  • Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina)
  • Robinia (Robinia pseudoacacia)
  • Rododendron (Rhododendron spp.)
  • Uitheems naaldhout (conifères exotiques)
  • Fauna

    Heeft als karakteristieke soorten (soorten die zich bij voorkeur in het betreffende habitattype voortplanten): 

  • Vuursalamander (Salamandra salamandra)
  • Keizersmantel (Argynnis paphia)
  • Kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camilla)
  • Hazelmuis (Muscardinus avellanarius)
  • Heeft als constante soorten (soorten die in de meeste van de gebieden met het betreffende habitattype aanwezig zijn, maar niet beperkt zijn tot het habitattype en die een indicator zijn van een goede biotische of abiotische toestand): 

  • Hazelworm (Anguis fragilis)
  • Boomklever (Sitta europaea)
  • Bosuil (Strix aluco)
  • Glanskop (Parus palustris)
  • Goudvink (Pyrrhula pyrrhula)
  • Havik (Accipiter gentilis)
  • Middelste bonte specht (Dendrocopus medius)
  • Wespendief (Pernis apivorus)
  • Zwarte specht (Dryocopus martius)
  • Natura 2000-doelhabitat

    Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. 

    Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.

    SBZ I : Zoniënwoud en vallei van de Woluwe

    Kwantitatieve doelstellingen

    • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.

    Kwalitatieve doelstellingen

    • Evolueren naar een gunstige staat van instandhouding over 75 % van de oppervlakte.
    • Progressieve realisatie van een gunstige kwalitatieve toestand door de ontwikkeling van een boshabitat met gediversifieerde horizontale en verticale structuur.
    • Behoud van staand en liggend dood hout naar rato van minstens 5 % van het totale staande houtvolume.
    • Behoud of progressief herstel van de boom- en struiklagen bestaande uit een mengsel van voor deze habitat kenmerkende soorten, zoals Fagus sylvatica, Quercus robur, Quercus petraea, Acer pseudoplatanus, Prunus avium, Corylus avellana, Carpinus betulus, Acer campestre, Crataegus sp., Tilia platyphyllos, Cornus sanguinea, Euonymus europaeus, Tilia cordata, Fraxinus excelsior, Populus tremula, Ribes rubrum, Salix caprea, Betula pendula, Sorbus aucuparia.

    SBZ II : Bossen en open gebieden in Ukkel

    Kwantitatieve doelstellingen

    • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.

    Kwalitatieve doelstellingen

    • Evolueren naar een gunstige staat van instandhouding over 50 % van de oppervlakte.
    • Ontwikkeling van een boshabitat met gediversifieerde horizontale en verticale structuur.
    • Behoud van staand en liggend dood hout naar rato van minstens 4% van het totale staande volume.
    • Behoud of progressief herstel van de boom- en struiklagen bestaande uit een mengsel van voor deze habitat kenmerkende soorten zoals de Fagus sylvatica, Quercus robur, Quercus petraea, Fraxinus excelsior, Prunus avium Corylus avellana, Carpinus betulus, Acer campestre, Crataegus sp., Tilia platyphyllos, Cornus sanguinea, Euonymus europaeus, Tilia cordata, Populus canescens, Ribes rubrum, Salix caprea, Betula pendula, Sorbus aucuparia.
    • Op het niveau van het kronendak moet minimaal 70% van de voor de habitat kenmerkende soorten worden bereikt.

    Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

    Afbeelding van de vuylbeekvallei in het Zoniënwoud met Bosanemoon (Anemone nemorosa)
    Vuylbeekvallei in het Zoniënwoud met Bosanemoon (Anemone nemorosa) © Yves Adams (Vilda)

    Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.

    • Bevorderen van de natuurlijke en typische soorten van de habitat bij aanplantingen en/of bij de natuurlijke verjonging.
    • Uitbreiden van de hoeveelheid staand of liggend dood hout.
    • Actief beheren van invasieve exotische soorten (zie bijlage IV van de ordonnantie) om hun verspreiding in te perken of om ze te verwijderen.
    • Opheffen van de bronnen van eutrofiëring.
    • Kanaliseren van het recreatieve gebruik om de kwetsbare gebieden te beschermen.
    • Ontwikkelen van bosrandvegetatie op de grens van de bospercelen en in de open plekken.

    Beheer beukenbossen met Wilde hyacint

    Onderhoudsbeheer

    Dit habitattype komt in aanmerking voor verschillende bosbeheervormen. Een klassiek hooghoutbeheer, dat aan de voorwaarden van een duurzaam multifunctioneel bosbeheer voldoet, en dat rekening houdt met de natuurlijke karakteristieken en vereisten van het bostype, kan verenigbaar zijn met het behoud en de ontwikkeling van het habitattype. In een aantal specifieke situaties (rijke uitgangssituatie, kwetsbare zones, belangrijke potenties) is evenwel een aangepast beheer, dat zich volledig toespitst op de aanwezige specifieke natuurwaarden, wenselijk of zelfs noodzakelijk om kwalitatief duurzaam behoud en ontwikkeling te garanderen. Specifieke beheermaatregelen omvatten o.a. zoom- en mantelbeheer, open-plekken-beheer, exotenbestrijding, vrijstellen van soorten die onderdrukt worden door een dicht beukenscherm en maximaal behoud van dikke bomen en dood hout. Lemige bodems zijn zeer gevoelig voor bodemverdichting, zodat de exploitatie hiermee rekening dient te houden. Andere mogelijke bosbeheervormen voor dit habitattype zijn nietsdoen-beheer, middelhout- of hakhoutbeheer. Bij deze laatste vorm verdwijnt de Beuk, die van nature dominant aanwezig is, uit de boomlaag. Dit type is omwille van zijn hoge gevoeligheid voor degradatie, weinig tot ongeschikt voor bosbegrazing (enkel seizoensbegrazing bij sterke verbraming, of zeer extensieve begrazing van zeer grote terreinen, waarbij ook open terrein mee is ingerasterd). Zones met een waardevolle voorjaarsflora of bronvegetaties mogen niet mee begraasd worden. Recreatieplanning met zonering is noodzakelijk.

    Herstel- en ontwikkelingsbeheer

    Herstel en ontwikkeling van deze bostypen vereist het verminderen van de atmosferische depositie en luchtvervuiling en het instellen van bufferzones rondom het bos tegen het inspoelen van meststoffen. Herstel van een meer natuurlijk bostype is mogelijk door natuurlijke successie of actieve omvorming van exoten- en monotone dichte beukenaanplantingen naar bossen met een meer natuurlijke structuur en samenstelling, met bijzondere aandacht voor dikke bomen en dood hout. Tevens is het herstel en de ontwikkeling van een voldoende grote, aaneengesloten bosoppervlakte wenselijk, door bosuitbreiding of verbinding van bestaande bossen.

    Afbeelding van lievevrouwebedstro (Galium odoratum)
    Lievevrouwebedstro (Galium odoratum) © Ed Stikvoort (Saxifraga)

    Criteria van gunstige staat van de habitat

    Vegetatieopbouw

    • De sleutelsoorten in de kruidlaag bedekken minstens 30% EN er zijn minstens 7 soorten aanwezig.
    • De sleutelsoorten van de struik- en boomlaag bedekken minsten 70% van het grondvlak (Streven naar: Alle potentieel aanwezige sleutelsoorten van het habitatype komen in natuurlijke bedekkingen voor, zonder daarbij buitensporige inspanningen te moeten leveren.)

    Habitatstructuur

    • Alle vegetatielagen zijn minstens frequent aanwezig (streven naar abundante aanwezigheid).
    • Het bos is ongelijkjarig gemengd OF kleine ingrepen werden verricht via een plenterslagstructuur (tot 0,3 ha) OF middelgrote ingrepen werden verricht via een femelslagstructuur (0,3-1 ha).
    • Groeiklasse 7-bomen zijn aanwezig OF er zijn minstens 3 groeiklassen aanwezig (streven naar aanwezigheid van klasse 7 EN minstens 4 groeiklassen aanwezig)
    • Aandeel dood hout is meer dan 4%, streefwaarde is meer dan 10%.
    • Het aandeel dik dood hout (meer dan 40 cm diameter) is gelijk of hoger dan 1 exemplaar per hectare (streven naar minstens 3 exemplaren/ha)
    • De bosconstantie (hoe lang het bosperceel al bos is) is meer dan 100 jaar, de streefwaarde is 200 jaar.
    Afbeelding van beukenbossen Asperulo-Fagetum (9130) met Wilde hyacint (Hyacinthoides non-scripta) in Brussel (Rood Klooster)
    Beukenbossen Asperulo-Fagetum (9130) met Wilde hyacint (Hyacinthoides non-scripta) in Brussel (Rood Klooster) © Jeroen Mentens (Vilda)

    Verstoringskenmerken

    • Invasieve exoten zijn slechts sporadisch aanwezig in de kruidlaag EN vormen maximaal 10% bedekking in de boom- en struiklaag (streven naar de sporadische aanwezigheid van invasieve exoten in alle vegetatielagen).
    • Zones met dominantie van verruigingsindicatoren nemen een oppervlakteaandeel in ≤ grenswaarde:
      - Alle verruigingssoorten samen bedekken minder dan 50%.
      - Gewone braam bedekken maximaal 50%.
      - Brede stekelvaren en witbol samen bedekken maximaal 10%
      Vlier, Grote brandnetel, Hondsdraf en Kleefkruid bedekken maximaal 10%.
      - Waterpeper, Pitrus en Ijle zegge samen bedekken maximaal 10%.
      - Streven naar: alle verruigingsindicatoren bedekken samen maximaal 30%; Gewone braam bedekt minder dan 30%.
      - Brede stekelvaren en witbol samen bedekken minder dan 10%.
      - Alle andere soorten komen slechts sporadisch voor.
    Welke zijn de verschillende groeiklassen?

    Groeiklassen gebruik je om de horizontale structuur of ontwikkelingsfasen van het bos te evalueren. Een ecologisch goed ontwikkeld bos heeft 3 of meer verschillende groeifases met best ook dikke bomen. Bij de meeste bostypes zijn de dikke bomen groeifase 7, bij sommige bostypes worden de bomen niet vaak zo dik en kan dit fase 6 of 5 zijn.

    De klassen zijn:

    • 1. Open plek (tijdelijk boomvrije oppervlakte)
    • 2. Vroege stadia van natuurlijke bebossing met habitat-typische pionierhoutsoorten (gemiddelde hoogte < 2m)
    • 3. Jonge boompjes (gemiddelde hoogte 2m)
    • 4. Jong hout (gemiddelde hoogte > 2m tot diameter 13 cm / omtrek < 40 cm )
    • 5. Hout met geringe tot middelmatige dikte (diameter stam 14-49 cm / omtrek 40-149 cm)
    • 6. Dik hout (diameter stam 50-79 cm / omtrek 150-240 cm)
    • 7. Zeer dik hout (diameter stam 80 cm / omtrek > 240 cm)

    Bedreigingen

    • Dit bostype is zeer gevoelig voor eutrofiëring door atmosferische depositie en inspoeling van nutriënten vanuit hoger gelegen plateaus en aangrenzende akkers.
    • Bodemerosie en/of bodemcompactie door intensieve recreatie of exploitatie.
    • Aanplanten van exoten of monotone beukenaanplantingen.
    • Grootschalig en/of intensief kapbeheer met grondbewerking, heraanplant en overexploitatie leidt tot habitatdegradatie met weinig oude bomen en dood hout en een zwakke structuurontwikkeling.
    • Versnippering.
    • Een te hoge wildstand (Ree) bemoeilijkt natuurlijke verjonging.

    Partners

    Deze pagina werd mogelijk gemaakt dankzij de content van Ecopedia

    Deze pagina werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van het LIFE-programma van de EU in het kader van het LIFE Belgium for Biodiversity project (LIFE B4B).

    Lees meer

    Gerelateerde soortenfiches