Officiële titel
Dotterbloemgraslanden
Code
Beschrijving
Dotterbloemgraslanden zijn natte graslandvegetaties met soorten uit graslanden, broekbossen en moerassen. Ze worden in de regel één tot twee keer gemaaid en werden meestal licht bemest. In het huidige natuurbeheer bemest men niet meer omdat er reeds voldoende en vaak te veel voedingstoffen in het grasland komen via neerslag of oppervlaktewater. Ook nabegrazing komt voor, hoewel onder hooibeheer de zuiverste vormen worden aangetroffen. Deze graslanden staan in de winter plas dras* maar in de zomer is een zekere doorluchting van de bodem nodig. Kwel kan al dan niet aanwezig zijn. Het water en/of de bodem zijn voedselrijker dan voor graslandtypes als Blauwgrasland of Vochtige heischrale graslanden. Overstroming is minder uitgesproken dan bij Vossenstaartgraslanden. Vooral door het afnemend belang van hooibeheer zijn veel Dotterbloemgraslanden tegenwoordig in een verruigingsfase ofwel worden ze nu begraasd.
Plas dras*: Wanneer op een grasland gedurende enkele weken na elkaar in een of meer seizoenen een laag water staat tot maximaal 20 cm boven het maaiveld, spreekt men van een plasdras situatie. Dit kan ontstaan onder natuurlijke omstandigheden maar kan ook het gevolg zijn van een menselijke ingreep. Plasdras situaties hebben een hoge natuurwaarde. Doortrekkende vogels en weidevogels rusten er uit en vinden er voedsel. Ook allerlei eendensoorten voelen er zich thuis en amfibieën planten zich er voort. Naargelang de periode waarin de plasdras situatie zich voordoet, zullen andere soorten ervan profiteren. In het vroege voorjaar is plasdras vooral gunstig voor amfibieën, voor weidevogels en voor trekvogels die naar het noorden trekken. In het late voorjaar vinden broedvogels en hun jongen er voedsel. In de zomer vinden weidevogels er rust en voedsel na de broedperiode.