Over Renature Brussel Contact
nl
Een initiatief vanLeefmilieu Brussel

Beheer dotterbloemgraslanden (habitat HGB HC)

Dotterbloemgraslanden zijn drassige hooilanden al of niet met nabeweiding. Er is steeds invloed van het grondwater

Afbeelding van dottergrasland

De habitat van gewestelijk belang in het kort

Dotterbloemgraslanden zijn drassige hooilanden al of niet met nabeweiding. Er is steeds invloed van het grondwater, dat zowel basenarm als basenrijk kan zijn. De bodem is vrij voedselrijk en gewoonlijk groeien de planten weelderig met talrijke, mooie bloemen. Van de talrijke kenmerkende soorten kunnen we vermelden: Echte koekoeksbloem, Grote ratelaar, Brede orchis, Bosbies, Dotterbloem en Tweerijige zegge.

Technische info

Doelgroep Overheidinstanties - Professionals
Seizoen Herfst - Winter - Lente - Zomer
Type actie Onderhouden - Beschermen - Diagnosticeren
Betrokken ruimte Natura 2000 - Groene ruimte
Niveau Ervaren  

Waarnemen, determineren, ontdekken

Officiële titel

Dotterbloemgraslanden

Code

  • HIR HC

Beschrijving

Dotterbloemgraslanden zijn natte graslandvegetaties met soorten uit graslanden, broekbossen en moerassen. Ze worden in de regel één tot twee keer gemaaid en werden meestal licht bemest. In het huidige natuurbeheer bemest men niet meer omdat er reeds voldoende en vaak te veel voedingstoffen in het grasland komen via neerslag of oppervlaktewater. Ook nabegrazing komt voor, hoewel onder hooibeheer de zuiverste vormen worden aangetroffen. Deze graslanden staan in de winter plas dras* maar in de zomer is een zekere doorluchting van de bodem nodig. Kwel kan al dan niet aanwezig zijn. Het water en/of de bodem zijn voedselrijker dan voor graslandtypes als Blauwgrasland of Vochtige heischrale graslanden. Overstroming is minder uitgesproken dan bij Vossenstaartgraslanden. Vooral door het afnemend belang van hooibeheer zijn veel Dotterbloemgraslanden tegenwoordig in een verruigingsfase ofwel worden ze nu begraasd.

Plas dras*: Wanneer op een grasland gedurende enkele weken na elkaar in een of meer seizoenen een laag water staat tot maximaal 20 cm boven het maaiveld, spreekt men van een plasdras situatie. Dit kan ontstaan onder natuurlijke omstandigheden maar kan ook het gevolg zijn van een menselijke ingreep. Plasdras situaties hebben een hoge natuurwaarde. Doortrekkende vogels en weidevogels rusten er uit en vinden er voedsel. Ook allerlei eendensoorten voelen er zich thuis en amfibieën planten zich er voort. Naargelang de periode waarin de plasdras situatie zich voordoet, zullen andere soorten ervan profiteren. In het vroege voorjaar is plasdras vooral gunstig voor amfibieën, voor weidevogels en voor trekvogels die naar het noorden trekken. In het late voorjaar vinden broedvogels en hun jongen er voedsel. In de zomer vinden weidevogels er rust en voedsel na de broedperiode.

Afbeelding van dottergrasland
Dottergrasland © Jeroen Mentens, Vilda

Raadpleeg de kaart met de habitats van gewestelijk belang


Milieukenmerken

Hydrologie

De meeste karakteristieke soorten van dotterbloemgraslanden zijn grondwaterafhankelijk. 

Dotterbloemgraslanden staan plas dras in de winter en drogen enkel oppervlakkig uit in de zomer. In het vegetatieseizoen moet er echter een zekere bodemaëratie mogelijk zijn. Het grondwater staat in de winter juist tot aan het maaiveld en mag niet dieper wegzakken dan een 70 tot 100 cm onder maaiveld. Wanneer het grasland in de winter langdurig onder water staat zullen vele graslandsoorten het opgeven en zullen moerassoorten toenemen.

Bodem

De bodem is in de regel eerder mineraalrijk. De textuur kan venig, kleiig, zandig, zandlemig of lemig zijn. Op zandbodems komt meestal een venige laag boven het zand vooraleer het Dotterverbond goed ontwikkelt

Relaties

Flora

Sleutelsoorten

Kwaliteitsindicerende soorten: 

  • Adderwortel (Polygonum bistorta)
  • blauwe knoop (Succisa pratensis)
  • bosbies (Scirpus sylvaticus)
  • brede orchis (Dactylorhiza fistulosa)
  • dotterbloem (Caltha palustris)
  • echte koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi)
  • gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata)
  • gevleugeld hertshooi (Hypericum tetrapterum)
  • grote ratelaar (Rhinanthus angustifolius)
  • hazenzegge (Carex ovalis)
  • kruipend zenegroen (Ajuga reptans)
  • lidrus (Equisetum palustre)
  • moerasrolklaver (Lotus pedunculatus)
  • moerasstreepzaad (Crepis paludosa)
  • zomp-/moerasvergeet-mij-nietje (Myosotis cespitosa groep)
  • moesdistel (Cirsium oleraceum)
  • paddenrus (Juncus subnodulosus)
  • ruw walstro (Galium uliginosum)
  • ruwe smele (Deschampsia cespitosa)
  • schildereprijs (Veronica scutellata)
  • slanke sleutelbloem (Primula elatior)
  • tormentil (Potentilla erecta)
  • trosdravik (Bromus racemosus)
  • tweerijige zegge (Carex disticha)
  • veldrus (Juncus acutiflorus)
  • wilde bertram (Achillea ptarmica).

Soorten die verstoring aanwijzen

Soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen: 

  • Bedekking van echte valeriaan (Valeriana repens)
  • gewone berenklauw (Heracleum sphondylium)
  • gewone engelwortel (Angelica sylvestris)
  • gewone smeerwortel (Symphytum officinale)
  • grote kattenstaart (Lythrum salicaria)
  • haagwinde (Calystegia sepium)
  • harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum)
  • kale jonker (Cirsium palustre)
  • koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum)
  • kropaar (Dactylis glomerata)
  • melkeppe (Peucedanum palustre)
  • moerasspirea (Filipendula ulmaria)
  • riet (Phragmites australis).

Soorten die verstoring (intensief gebruik) aanwijzen: 

  • Bedekking van Engels raaigras (Lolium perenne)
  • gewoon timoteegras (Phleum pratense)
  • grote weegbree (Plantago major)
  • kruipende boterbloem (Ranunculus repens)
  • madeliefje (Bellis perennis)
  • witte klaver (Trifolium repens).

Soorten die verstoring (eutrofiëring) aanwijzen: 

  • Bedekking van grote brandnetel (Urtica dioica
  • hondsdraf (Glechoma hederacea)
  • kleefkruid (Galium aparine)
  • liesgras (Glyceria maxima).

Soorten die verstoring (vernatting) aanwijzen: 

  • Bedekking van egelboterbloem (Ranunculus flammula)
  • fioringras (Agrostis stolonifera)
  • geknikte vossenstaart (Alopecurus geniculatus)
  • mannagras (Glyceria fluitans)
  • moerasstruisgras (Agrostis canina)
  • rietgras (Phalaris arundinacea)
  • ruige zegge (Carex hirta).


Soorten die verstoring (ruderalisering) aanwijzen:

  • Bedekking van akkerdistel (Cirsium arvense)
  • blaartrekkende boterbloem (Ranunculus sceleratus)
  • grote weegbree (Plantago major)
  • heermoes (Equisetum arvense)
  • kluwenzuring (Rumex conglomeratus)
  • kruldistel (Carduus crispus)
  • krulzuring (Rumex crispus)
  • ridderzuring (Rumex obtusifolius)
  • speerdistel (Cirsium vulgare)
  • tandzaad (Bidens)
  • waterpeper (Polygonum hydropiper)
  • zachte dravik (Bromus hordeaceus).

Soorten die verstoring (pollenvormende russen) aanwijzen, waarvan de toename het gevolg kan zijn van bodemverdichting, eutrofiëring of veranderingen in de waterhuishouding (verhoogde vochtigheid, frequentere overstromingen, enz.): 

  • Bedekking van pitrus (Juncus effusus)
  • biezenknoppen (Juncus conglomeratus)
  • en zeegroene rus (Juncus inflexus).

Natura 2000-doelhabitat

Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. 

Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.

SBZ I : Zoniënwoud en vallei van de Woluwe

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.
  • Gebruikmaken van de uitbreidingskansen bij ecologische inrichtingen tussen de land- en waterbiotopen.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Evolueren naar een gunstige staat van instandhouding over 75 % van de oppervlakte.
  • Integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding van sleutelsoorten zoals Caltha palustris, Carex acutiformis, Carex disticha, Lychnis flos-cuculi, Hypericum tetrapterum en Equisetum palustre alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt.

SBZ II : Bossen en open gebieden in Ukkel

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste het behoud van de bestaande 0,2 ha van deze habitat.
  • Geleidelijke uitbreiding van deze habitat tot 1 ha.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Ten minste het behoud van de kwalitatieve staat van instandhouding die op het ogenblik van de identificatie van het gebied bestond.
  • Integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding van sleutelsoorten zoals de Caltha palustris, Carex acutiformis, Carex disticha, Lychnis flos-cuculi, Hypericum tetrapterum, Equisetum palustre mogelijk maakt.

SBZ III : Bossen en vochtige gebieden van de Molenbeekvallei

Kwantitatieve doelstellingen

  • Minstens 1 ha van deze habitat ontwikkelen in de vochtige gebieden van de vallei van de Molenbeek.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Evolueren naar een gunstige staat van instandhouding over 75 % van de oppervlakte.
  • Integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding via zaden van sleutelsoorten zoals Caltha palustris, Carex acutiformis, Carex disticha, Lychnis flos-cuculi, Hypericum tetrapterum en Equisetum palustre alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt.

Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

Afbeelding van dotterbloem (Caltha palustris)
Dotterbloem (Caltha palustris) © Jan van der Straaten (Saxifraga)

Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.

  • Toepassen van een verschralend maaibeheer.
  • Opvangen en laten insijpelen van regen- en bronwater van goede kwaliteit.
  • Afvoeren van afvalwater via de riolen, of plaatselijk zuiveren ervan.
  • Ecologisch herstellen van waterlopen, waterpartijen, bron- en kwelzones.
  • Opheffen van de bronnen van verdroging en eutrofiëring.

Beheer dotterbloemgraslanden (habitat HGB HC)

Onderhoudsbeheer

Het beheer van een reeds goed ontwikkeld dotterbloemgrasland bestaat uit 1 of 2 keer maaien per jaar. De meer productieve dotterbloemgraslanden worden 2 keer gemaaid. Een 1ste keer maai je in juli, een 2de keer in september. Indien het dotterbloemgrasland niet zo productief is kan 1 keer maaien begin september volstaan. 

Belangrijk is dat het gras kort de winter in gaat. Als de hergroei na de 1ste maaibeurt te lang wordt en plat valt zorgt deze voor verstikking van de minder krachtige soorten. Als dit het geval is volstaat één maaibeurt niet. Een alternatief voor de 2de maaibeurt is nabegrazing.

Afbeelding van grote ratelaar (rhinanthus angustifolius)
Grote ratelaar (Rhinanthus angustifolius) © Jan van der Straaten (Saxifraga)

Criteria van gunstige staat van de habitat

Vegetatieopbouw:

  • Er zijn minstens 7 kwaliteitsindicerende soorten aanwezig in een vlak van 5x5 m2.
  • De kwaliteitsindicerende soorten hebben samen een bedekking van ≥ 30 %.

Vegetatiestructuur:

  • Grassen bedekken maximaal 50%.
  • De (co)dominantie van soorten is afwezig (met gecombineerde bedekking ≥ 70%).
  • Bomen, struiken en bramen zijn hooguit occasioneel aanwezig.

Verstoringskenmerken:

  • Zones met dominantie van verruigingsindicatoren nemen een oppervlakteaandeel in ≤ grenswaarde:
    • Verruiging neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
    • Intensief neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
    • Eutrofiëring is hooguit occasioneel aanwezig.
    • Vernatting neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
    • Ruderalisering neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
    • Pollenvormende russen nemen een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
Afbeelding van dottergrasland
Dottergrasland © Jeroen Mentens, Vilda

Bedreigingen

  • Biotoopvernietiging
  • Verdroging
  • Bemesting & herbicidengebruik
  • Watervervuiling
  • Verruiging: door stopzetting van het maai- en/of graasbeheer verruigen de graslanden tot ruderale vegetaties

Partners

Deze pagina werd mogelijk gemaakt dankzij de content van Ecopedia

Deze pagina werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van het LIFE-programma van de EU in het kader van het LIFE Belgium for Biodiversity project (LIFE B4B).

Lees meer