De meeste karakteristieke soorten van Kamgrasland zijn grondwateronafhankelijk.
Beheer kamgraslanden (habitat HGB KAM)
Kamgrasland of Kamgrasweide is een permanent begraasd grasland (vooral door runderen) op voedselrijkere bodem met als opvallende soort Kamgras.

De habitat van gewestelijk belang in het kort
Kamgrasland of Kamgrasweide is een permanent begraasd grasland (vooral door runderen) op voedselrijkere bodem met als opvallende soort Kamgras. Aangezien Kamgras nu (bijna) niet meer wordt ingezaaid is zijn voorkomen in landbouwgraslanden sterk verminderd, maar zeldzaam is het (nog) niet. De Kamgrasweide is dan ook typisch voorkomend in historisch permanent grasland dat niet recent omgeploegd werd. Andere kenmerkende soorten zijn Veldgerst, Madeliefje, Gewone brunel, Gewoon timotheegras en Tijmereprijs. Naast deze kenmerkende soorten komen er heel wat andere soorten voor welke je ook vindt in andere graslandtypes. Het gaat dan over soorten als Pinksterbloem, Gewoon reukgras, Smalle weegbree, Rode klaver en Gewoon biggenkruid. Op vochtigere bodems vind je soorten als Grote vossenstaart, Moerasrolklaver, Echte koekoeksbloem en Biezenknoppen. Kamgraslanden hebben vooral soorten gemeen met de Glanshaverhooilanden, de vochtigere hebben ook soorten van de Dotterbloemgraslanden. Kalkrijke kamgraslanden zijn soortenrijker, maar deze graslanden zijn een ander habitattype.
Technische info
Waarnemen, determineren, ontdekken
Officiële titel
kamgraslanden
Code
- HGB KAM
Beschrijving
Kamgrasland is vanwege zijn opvallende vegetatiestructuur vrij gemakkelijk te herkennen, hoewel het op floristische basis eerder negatief gekenmerkt is. Dit laatste is de reden waarom nogal wat auteurs het dan ook niet onderscheiden van Glanshaverhooilanden of de vochtige variant van Dotterbloemgraslanden. Het is vooral een continu gebruik als graasweide, in combinatie met de belangrijkste soort Kamgras, die de herkenbaarheid bewerkstelligen. Door omschakeling naar intensief landbouwgebruik is kamgrasland ongelooflijk in oppervlakte afgenomen. Voorheen kwam het nochtans ook in aanzienlijke oppervlakte voor, terwijl het nu veelal herleid is tot kleine hoekjes marginaal grasland, veelal als hobbyweitjes voor paarden. De natuurbehoudsaandacht voor dit type grasland is de laatste jaren enorm gestegen, enerzijds door het belang van dit type grasland voor overwinterende ganzen, anderzijds toch ook vanuit botanische hoek, waar het dan vaak vooral om de perceelsranden gaat of om de zeldzame vertegenwoordigers op kalkbodems.

Raadpleeg de kaart met de habitats van gewestelijk belang
Milieukenmerken
Bodem
Kamgraslanden komen op de meeste bodems voor, maar op de lichtste bodems (zand, veen, zandleem) is hun voorkomen vaak gebonden aan een lichte vorm van bemesting terwijl ze op de zwaardere gronden (klei, leem) ook zonder bemesting kunnen ontstaan en gedijen.
Relaties
Flora
Sleutelsoorten
Kenmerkende soorten:
- Gewone brunel (Prunella vulgaris)
- gewoon timoteegras (Phleum pratense)
- kamgras (Cynosurus cristatus)
- knopig doornzaad (Torilis nodosa)
- madeliefje (Bellis perennis)
- tijmereprijs (Veronica serpyllifolia)
- veldgerst (Hordeum secalinum)
- vertakte leeuwentand (Leontodon autumnalis)
- wilde peterselie (Petroselinum segetum).
Soorten die verstoring aanwijzen
Soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen:
- Bedekking van gewone berenklauw (Heracleum sphondylium)
- gewone engelwortel (Angelica sylvestris)
- gewone smeerwortel (Symphytum officinale)
- grote kattenstaart (Lythrum salicaria)
- haagwinde (Calystegia sepium)
- kale jonker (Cirsium palustre)
- kropaar (Dactylis glomerata)
- liesgras (Glyceria maxima)
- moerasspirea (Filipendula ulmaria)
- riet (Phragmites australis)
- rietgras (Phalaris arundinacea).
Soorten die verstoring (intensief gebruik) aanwijzen, waarvan de toename het gevolg is van overmatige begrazing of bemesting:
- Bedekking van Engels raaigras (Lolium perenne)
- gewoon timoteegras (Phleum pratense)
- kruipende boterbloem (Ranunculus repens)
- witte klaver (Trifolium repens).
Soorten die verstoring (eutrofiëring) aanwijzen:
- Bedekking van grote brandnetel (Urtica dioica)
- hondsdraf (Glechoma hederacea)
- kleefkruid (Galium aparine).
Soorten die verstoring (vernatting) aanwijzen:
- Bedekking van egelboterbloem (Ranunculus flammula)
- fioringras (Agrostis stolonifera)
- geknikte vossenstaart (Alopecurus geniculatus)
- mannagras (Glyceria fluitans)
- moerasstruisgras (Agrostis canina).
Soorten die verstoring (pollenvormende russen) aanwijzen, waarvan de toename het gevolg kan zijn van bodemverdichting, eutrofiëring of veranderingen in de waterhuishouding:
- Bedekking van biezenknoppen (Juncus conglomeratus)
- pitrus (Juncus effusus)
- zeegroene rus (Juncus inflexus).
Soorten die verstoring (ruderalisering) aanwijzen:
- Bedekking van akkerdistel (Cirsium arvense)
- behaarde boterbloem (Ranunculus sardous)
- boerenwormkruid (Tanacetum vulgare)
- grote weegbree (Plantago major)
- heermoes (Equisetum arvense)
- Italiaans raaigras (Lolium multiflorum)
- jakobskruiskruid (Senecio jacobaea)
- kluwenzuring (Rumex conglomeratus)
- krulzuring (Rumex crispus)
- kweek (Elymus repens)
- mannagras (Glyceria fluitans)
- paardenbloem (Taraxacum)
- ridderzuring (Rumex obtusifolius)
- ruige zegge (Carex hirta)
- speerdistel (Cirsium vulgare)
- straatgras (Poa annua)
- tengere rus (Juncus tenuis)
- vogelmuur (Stellaria media)
- waterpeper (Polygonum hydropiper)
- zachte dravik (Bromus hordeaceus).
Natura 2000-doelhabitat
Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest.
Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.
SBZ I : Zoniënwoud en vallei van de Woluwe
Kwantitatieve doelstellingen
- Ten minste het behoud van 25 ha van deze habitat.
Kwalitatieve doelstellingen
- Evolueren naar een gunstige staat van instandhouding over 50 % van de oppervlakte.
- Integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding van sleutelsoorten zoals Achillea millefolium, Agrostis capillaris, Cardamine pratensis, Plantago lanceolata, Ranunculus acris, Bellis perennis, Phleum pratense, Trifolium repens en Taraxacum spp. alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt.
SBZ II : Bossen en open gebieden in Ukkel
Kwantitatieve doelstellingen
- Ten minste het behoud van 50% van de bestaande oppervlakte.
Kwalitatieve doelstellingen
- Ten minste het behoud van de kwalitatieve staat van instandhouding die op het ogenblik van de identificatie van het gebied bestond.
- Integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding van sleutelsoorten zoals de Achillea millefolium, Agrostis capillaris, Cardamine pratensis, Plantago lanceolata, Ranunculus acris, Bellis perennis, Phleum pratense, Trifolium repens, Taraxacum spp. mogelijk maakt.
SBZ III : Bossen en vochtige gebieden van de Molenbeekvallei
Kwantitatieve doelstellingen
- Ten minste het behoud van 5 ha van deze habitat.
Kwalitatieve doelstellingen
- Evolueren naar een gunstige staat van instandhouding over 50 % van de oppervlakte.
- Integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding via zaden van sleutelsoorten zoals Achillea millefolium, Agrostis capillaris, Cardamine pratensis, Plantago lanceolata, Ranunculus acris, Bellis perennis, Phleum pratense, Trifolium repens en Taraxacum spp. alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt.
Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.
- Toepassen van een maaibeheer en/of toepassen van extensief begrazingsbeheer.
- Opheffen van de bronnen van verdroging en eutrofiëring.
- Vermijden van eutrofiëring en verzuring van de bodem.
Beheer kamgraslanden
Onderhoudsbeheer
Het beheer van Kamgraslanden bestaat uit begrazing. Het type van grazer (paarden, koeien, schapen, ezels) speelt geen rol. De periode van begrazing kan variëren. In weidevogelgebieden kan de begrazing best later starten dan 15 juni.
In andere gebieden kan de begrazing starten vanaf dat er voldoende voedsel op de weide staat totdat het voedsel op is. Bijvoederen op de weide zorgt voor extra voedingstoffen wat best te vermijden is.

Criteria van gunstige staat van de habitat
Vegetatieopbouw
- Er zijn minstens 20 soorten aanwezig in een vlak van 5x5 m2.
- Kamgras en/of Veldgerst zijn abundant aanwezig en het aantal soorten op het perceel is groter dan 15.
Vegetatiestructuur
- Grassen bedekken maximaal 70%.
- De (co)dominantie van soorten is afwezig.
- Bomen, struiken en bramen zijn hooguit occasioneel aanwezig.
Verstoringskenmerken
-
Zones met dominantie van verruigingsindicatoren nemen een oppervlakteaandeel in ≤ grenswaarde:
- Verruiging neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
- Intensief neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 30%.
- Eutrofiëring is hooguit occasioneel aanwezig
- Vernatting neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
- Ruderalisering neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
- Pollenvormende russen nemen een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.

Bedreigingen
- Door stopzetting van het maai- en/of graasbeheer verruigen de graslanden tot ruderale vegetaties.
- Omschakeling naar intensief grasland.