Over Renature Brussel Contact
nl
Een initiatief vanLeefmilieu Brussel

Beheer oude eiken-berkenbossen op zeer voedselarm zand (habitat 9190)

Dit habittype omvat de zuurminnende Eiken-Berkenbossen op zeer voedselarme zandgronden met Zomereik, Ruwe en Zachte berk, vaak gemengd met Wilde lijsterbes en Ratelpopulier. In mindere mate komen ook Wintereik en Beuk voor. De struiklaag is zwak ontwikkeld en bevat Sporkehout en berk en verder ook sporadisch Wilde lijsterbes. De kruidlaag is arm en bestaat vooral uit Bochtige smele, Blauwe bosbes, Struikhei en andere grassen en kruiden van zure bodems.

Afbeelding van zuur eikenbos met Bosanemoon (Anemone nemorosa)

De natura 2000 habitat in het kort

Dit habittype omvat de zuurminnende Eiken-Berkenbossen op zeer voedselarme zandgronden met Zomereik, Ruwe en Zachte berk, vaak gemengd met Wilde lijsterbes en Ratelpopulier. In mindere mate komen ook Wintereik en Beuk voor. De struiklaag is zwak ontwikkeld en bevat Sporkehout en berk en verder ook sporadisch Wilde lijsterbes. De kruidlaag is arm en bestaat vooral uit Bochtige smele, Blauwe bosbes, Struikhei en andere grassen en kruiden van zure bodems.

Dit habitattype is o.a. zeer belangrijk voor vogelsoorten zoals de Middelste bonte, de Zwarte specht, de Wespendief en verder ook voor een groot aantal vogels van structuurrijke loofbossen (o.a. Fluiter, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Boomkruiper, Appelvink, Bosuil).

Technische info

Doelgroep Professionals - Overheidinstanties
Seizoen Herfst - Winter - Lente - Zomer
Type actie Onderhouden - Beschermen - Diagnosticeren
Betrokken ruimte Natura 2000 - Groene ruimte
Niveau Ervaren  

Waarnemen, determineren, ontdekken

Officiële titel

Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur

Code

  • 9190

Beschrijving

Dit habitattype omvat de zuurminnende, oligotrofe Eiken- Berkenbossen op zeer voedselarme, vaak gepodsoliseerde of slecht doorlaatbare kwartaire dekzandgronden met Zomereik, Ruwe en Zachte berk, vaak gemengd met Wilde lijsterbes en Ratelpopulier. In mindere mate komen ook Wintereik en Beuk voor. Bij een strikte interpretatie worden alleen de ‘oude’ bossen tot het habitattype gerekend, met een goed ontwikkelde structuur, inclusief volgroeide bomen van o.a. eik en logischerwijze dus reeds minstens 100 jaar bos.

De struiklaag is zwak ontwikkeld en bevat Sporkehout en berk en verder ook sporadisch Wilde lijsterbes. De kruidlaag is arm en bestaat vooral uit Bochtige smele, Blauwe bosbes, Struikhei en andere grassen en kruiden van zure bodems. Pijpenstrootje groeit op vochtige plekken. Verder komt vaak een dichte moslaag voor met vooral Gesnaveld klauwtjesmos.

Afbeelding van zuur eikenbos met Bosanemoon (Anemone nemorosa)
Zuur eikenbos met Bosanemoon (Anemone nemorosa) © Jeroen Mentens, Vilda

Raadpleeg de kaart met de Natura 2000-habitats

Dit habitattype is o.a. zeer belangrijk voor de Middelste bonte, de Zwarte specht, de Wespendief en verder ook voor een groot aantal vogels van structuurrijke loofbossen (o.a. Fluiter, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Boomkruiper, Appelvink, Bosuil). Oude eiken en holle, dode en kwijnende bomen zijn essentieel voor soorten als Boommarter, vleermuizen (o.a. Rosse vleermuis), Vliegend hert en voor behoud en ontwikkeling van een rijke gemeenschap van ongewervelde dieren, mossen en fungi. 

Voldoende structuurrijkdom impliceert ook open plekken, mantels en zomen, met een groot aantal zeldzame soorten die geassocieerd worden met schrale zomen, heischrale graslanden en heidebiotopen (Levendbarende hagedis, Hazelworm, talrijke insectensoorten als Bruine eikenpage, Bont dikkopje, zandloopkevers, Veldkrekel enz.). Langs bosranden en op open plekken vinden we de typische koepelnesten van bosmieren. In de strooisellaag van deze open bossen komt de Boskrekel voor. Grote open plekken en jonge bestanden in het bos zijn een potentiële broedplaats voor de Nachtzwaluw en Boomleeuwerik, naast de bedreigde Boompieper.


Milieukenmerken

Hydrologie

De habitat is niet grondwaterafhankelijk.

Het grondwaterpeil van dit habitattype kan in de winter vrij hoog staan.

Bodem

Dit bostype komt voor op zeer voedselarme, vaak gepodsoliseerde of slecht doorlaatbare kwartaire dekzandgronden. Dit type is gebonden aan zure zandgronden: de pH-CaCl2 zal in de regel lager zijn dan 3,4. Vergeleken met eiken-beukenbossen op zure bodems (9120) heeft dit habitattype een relatief lage hoeveelheid Kjeldahl N (< 0.27% N_Kj). Dit is een gevolg van de lagere hoeveelheid organisch materiaal in de bovenste minerale bodem.

Zuurminnende eikenbossen op zandvlakten hebben een lage Olsen- P (< 13,5 mg/kg), wellicht ten dele een gevolg van de sterke vastlegging van P door aluminium in de zeer zure bodem. Aangezien dit habitattype afhankelijk is van voedselarme omstandigheden, met ondermeer een geringe N voorraad, is het erg gevoelig voor N-deposities. N-deposities mogen niet meer dan 15/kg/jaar bedragen.

Milieukarakteristieken

Omwille van de zure bodem is in dit habitattype geen voorjaarsflora aanwezig. Dit neemt niet weg dat ook de minder gevoelige soorten die kenmerkend zijn voor dit habitat, bijvoorbeeld echte guldenroede, hengel en blauwe bosbes, kunnen achteruitgaan door verdere verzuring. Zuurminnende eikenbossen op zandvlakten hebben een beperkte strooisellaag (< 9 cm). Bij verdere ‘rijping’ van de bodem neemt de nutriëntenvoorraad toe en is het habitattype in staat te evolueren naar habitattype Eiken-beukenbossen op zure bodems.

Relaties

Flora

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten in de kruidlaag: 

  • Struikhei (Calluna vulgaris)
  • Pilzegge (Carex pilulifera)
  • Bochtige smele (Deschampsia flexuosa)
  • Stijf havikskruid (Hieracium laevigatum)
  • Boshavikskruid (Hieracium sabaudum)
  • Schermhavikskruid (Hieracium umbellatum)
  • Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum)
  • Hengel (Melampyrum pratense)
  • Pijpenstrootje (Molinia caerulea)
  • Echte guldenroede (Solidago virgaurea)
  • Valse salie (Teucrium scorodonia)
  • Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus)

Heeft als sleutelsoorten in de kruidlaag die duiden op een overgang naar habitattype 9120: Bosanemoon (Anemone nemorosa), Dubbelloof (Blechnum spicant), Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis), Witte klaverzuring (Oxalis acetosella), Ruige veldbies (Luzula pilosa), Grote veldbies (Luzula sylvatica), Dalkruid (Maianthemum bifolium), Bosgierstgras (Milium effusum), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum), Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum)

Heeft als sleutelsoorten in de boom- en struiklaag: Zomereik (Quercus robur), Wintereik (Quercus petraea), Quercus x rosacea, Ruwe berk (Betula pendula), Zachte berk (Betula pubescens), Ratelpopulier (Populus tremula), Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), Sporkehout (Frangula alnus)

Heeft als sleutelsoorten in de boom- en struiklaag die duiden op een overgang naar habitattype 9120: Beuk (Fagus sylvatica), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Hazelaar (Corylus avellana), Haagbeuk (Carpinus betulus), Hulst (Ilex aquifolium)


Soorten die verstoring aanwijzen

Heeft als soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen: Braam sp. (Rubus sp.), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata), Witbol (Holcus lanatus/mollis), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus), IJle zegge (Carex remota)

Heeft als invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere, Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Rimpelroos (Rosa rugosa), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii))

Heeft als invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere, Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (Buddleja davidii), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Robinia (Robinia pseudoacacia), Rododendron (G) (Rhododendron spp.), uitheems naaldhout


Fauna

Heeft als constante soorten (soorten die in de meeste van de gebieden met het betreffende habitattype aanwezig zijn, maar niet beperkt zijn tot het habitattype en die een indicator zijn van een goede biotische of abiotische toestand): Eikenpage (Neozephyrus quercus), Bonte vliegenvanger (Fycedula hypoleuca), Boomleeuwerik (Lullula arborea), Boompieper (Anthus trivialis), Gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus), Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), Wespendief (Pernis apivorus), Zwarte specht (Dryocopus martius)

Natura 2000-doelhabitat

Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. 

Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.

SBZ I : Zoniënwoud en vallei van de Woluwe

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Ten minste het behoud van de bij identificatie van het gebied aanwezige staat van instandhouding.
  • Ontwikkeling van een boshabitat met gediversifieerde horizontale en verticale structuur.
  • Behoud van staand en liggend dood hout naar rato van minstens 5% van het totale staande volume.
  • Behoud of progressief herstel van de boom- en struiklagen bestaande uit een mengsel van voor deze habitat kenmerkende soorten zoals Quercus robur, Betula pendula, Betula pubescens, Populus tremula, Pinus sylvestris, Sorbus aucuparia, Frangula alnus, Corylus avellana en Quercus petraea.

SBZ II : Bossen en open gebieden in Ukkel

Kwantitatieve doelstellingen

  • Behoud van minstens 15 ha habitat 9190 met mogelijke evolutie naar een habitat van type 9120.
  • Mogelijke conversie van 4,6 ha naar graslandvegetatie (bv. struisgrasland).

Kwalitatieve doelstellingen

  • Ten minste het behoud van de bij identificatie van het gebied aanwezige staat van instandhouding.
  • Ontwikkeling van een boshabitat met gediversifieerde horizontale en verticale structuur.
  • Behoud van staand en liggend dood hout naar rato van minstens 4% van het totale staande houtvolume.
  • Behoud of progressief herstel van de boom- en struiklagen bestaande uit een mengsel van voor deze habitat kenmerkende soorten zoals Quercus robur, Betula pendula, Betula pubescens, Populus tremula, Pinus sylvestris, Sorbus aucuparia, Frangula alnus, Corylus avellana en Quercus petraea.
  • Op het niveau van het kronendak moet minimaal 70% van de voor de habitat kenmerkende soorten worden bereikt.

Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

Afbeelding van klimop (Hedera helix) in een eik
Klimop (Hedera helix) in een eik © Lars Soerink (Vilda)

Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.

  • Bevorderen van de natuurlijke en karakteristieke soorten van de habitat bij aanplantingen en/of bij de natuurlijke verjonging.
  • Uitbreiden van de hoeveelheid staand of liggend dood hout.
  • Actief beheren van invasieve exotische soorten, vermeld in bijlage IV van de ordonnantie, om hun verspreiding in te perken of om ze te verwijderen.
  • Opheffen van de bronnen van verdroging en eutrofiëring.
  • Kanaliseren van het recreatieve gebruik om de kwetsbare gebieden te beschermen.
  • Ontwikkelen van bosrandvegetatie op de grens van de bospercelen en in de open plekken.

Beheer oude eiken-berkenbossen op zeer voedselarm zand (habitat 9190)

Onderhoudsbeheer

Dit habitattype komt in aanmerking voor verschillende bosbeheervormen.

Een klassiek hooghoutbeheer, dat aan de voorwaarden van een duurzaam multifunctioneel bosbeheer voldoet, en dat rekening houdt met de natuurlijke karakteristieken en vereisten van het bostype, kan verenigbaar zijn met het behoud en de ontwikkeling van het habitattype. In een aantal specifieke situaties (rijke uitgangssituatie, kwetsbare zones, belangrijke potenties) is evenwel een aangepast beheer, dat zich volledig toespitst op de aanwezige specifieke natuurwaarden, wenselijk of zelfs noodzakelijk om kwalitatief duurzaam behoud en ontwikkeling te garanderen. Specifieke beheermaatregelen omvatten o.a. zoomen mantelbeheer, open-plekken-beheer, omvormingsbeheer van aanplanten van naaldhout en Amerikaanse eik, exotenbestrijding en maximaal behoud van dikke bomen en dood hout.

Andere mogelijke bosbeheervormen voor dit habitattype zijn nietsdoen-beheer, middelhout- of hakhoutbeheer. Seizoensbegrazing is mogelijk bij lage dichtheden in combinatie met aangrenzende open schrale terreinen en bij voorkeur met het inlassen van dichtheidsfluctuaties en/of verjongingsperiodes. Begrazing is niet combineerbaar met omvorming van naaldhout naar loofhout.

Herstel- en ontwikkelingsbeheer

Verminderen van atmosferische depositie, luchtvervuiling en bemestingsinvloeden vormen een eerste voorwaarde voor het behoud en herstel van dit habitattype. Het instellen van bufferzones is noodzakelijk als maatregel tegen het inwaaien en inspoelen van nutriënten. Een ander belangrijk aspect is de bestrijding van Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en andere invasieve exoten, die een ontwikkeling naar de natuurlijke vegetatie beletten. Ook is spontane successie mogelijk uit voedselarme, open terreinen (heide, kapvlakte of stuifzanden). Bestrijding van Amerikaanse vogelkers en andere invasieve exoten is een basisvereiste om een succesvolle omvorming te realiseren. Bij de vochtige varianten dient tevens de hoge grondwatertafel behouden of hersteld. Er dient gestreefd naar een grote structuurrijkdom en een toename van de hoeveelheid dood hout. Tevens is het herstel of de ontwikkeling van een voldoende grote, aaneengesloten bosoppervlakte wenselijk, door bosuitbreiding of verbinding van bestaande bossen.

Afbeelding van valse salie (Teucrium scorodonia)
Valse salie (Teucrium scorodonia) © Jan van der Straaten (Saxifraga)

Criteria van gunstige staat van de habitat

Vegetatieopbouw

  • De sleutelsoorten in de kruidlaag bedekken minstens 30% EN er zijn minstens 3 soorten aanwezig.
  • De sleutelsoorten van de struik- en boomlaag bedekken minsten 70% van het grondvlak.

Habitatstructuur

  • Alle vegetatielagen zijn minstens frequent aanwezig (streven naar abundante aanwezigheid).
  • Het bos is ongelijkjarig gemengd OF ingrepen op kleine schaal (tot 0,3 ha) cfr. plenterslagstructuur OF mozaïekstructuur met grote-orde 0,3-1 ha, cfr. femelslagstructuur.
  • Groeiklasse 7-bomen zijn aanwezig OF er zijn minstens 3 groeiklassen aanwezig (streven naar aanwezigheid van klasse 7 EN minstens 4 groeiklassen aanwezig).
  • Aandeel dood hout is meer dan 4%, streefwaarde is meer dan 10% - het aandeel dik dood hout (meer dan 40 cm diameter) is gelijk of hoger dan 1 exemplaar per hectare (streven naar minstens 3 exemplaren/ha).
  • De bosconstantie (hoe lang het bosperceel al bos is) is meer dan 100 jaar, de streefwaarde is 200 jaar.
Afbeelding van zuur eikenbos met Bosanemoon (Anemone nemorosa)
Zuur eikenbos met Bosanemoon (Anemone nemorosa) © Jeroen Mentens, Vilda

Verstoringskenmerken

  • Invasieve exoten zijn slechts sporadisch aanwezig in de kruidlaag EN vormen maximaal 10% bedekking in de boom- en struiklaag (streven naar de sporadische aanwezigheid van invasieve exoten in alle vegetatielagen).
  • Zones met dominantie van verruigingsindicatoren nemen een oppervlakteaandeel in ≤ grenswaarde:
    - Alle verruigingssoorten samen bedekken minder dan 30%.
    - Gewone braam bedekken maximaal 30%.
    - Brede stekelvaren en witbol samen bedekken maximaal 10%.
    - Vlier, Grote brandnetel en Kleefkruid bedekken maximaal 10%.
    - Waterpeper, Pitrus en Ijle zegge samen bedekken maximaal 10%.
Welke zijn de verschillende groeiklassen?

Groeiklassen gebruik je om de horizontale structuur of ontwikkelingsfasen van het bos te evalueren. Een ecologisch goed ontwikkeld bos heeft 3 of meer verschillende groeifases met best ook dikke bomen. Bij de meeste bostypes zijn de dikke bomen groeifase 7, bij sommige bostypes worden de bomen niet vaak zo dik en kan dit fase 6 of 5 zijn.

De klassen zijn:

  1. Open plek (tijdelijk boomvrije oppervlakte)
  2. Vroege stadia van natuurlijke bebossing met habitat-typische pionierhoutsoorten (gemiddelde hoogte < 2m)
  3. Jonge boompjes (gemiddelde hoogte 2m)
  4. Jong hout (gemiddelde hoogte > 2m tot diameter 13 cm / omtrek < 40 cm )
  5. Hout met geringe tot middelmatige dikte (diameter stam 14-49 cm / omtrek 40-149 cm)
  6. Dik hout (diameter stam 50-79 cm / omtrek 150-240 cm)
  7. Zeer dik hout (diameter stam 80 cm / omtrek > 240 cm)

Bedreigingen

  • Atmosferische depositie en inspoeling van meststoffen van aangrenzend landbouwgebied leiden tot eutrofiëring en verzuring.
  • Drainage of ontwatering leidt tot verdroging (vochtige variant).
  • Intensieve recreatie brengt verstoring en degradatie met zich mee.
  • De struiklaag wordt vaak gekoloniseerd en overwoekerd door Amerikaanse vogelkers. Oude bossites zijn vaak ingeplant met Grove den en exoten als Corsicaanse den, Tamme kastanje, Amerikaanse eik, Lork en Douglasspar. In bossen met een voormalige parkinvloed of vertuining kan (veel) Rododendron voorkomen.
  • Grootschalig en/of intensief kapbeheer met grondbewerking, heraanplant en overexploitatie leiden tot habitatdegradatie met weinig oude bomen en dood hout en een zwakke structuurontwikkeling.
  • Versnippering.
  • Een te hoge wildstand (Ree) bemoeilijkt natuurlijke verjonging.

Milieu

Partners

Deze pagina werd mogelijk gemaakt dankzij de content van Ecopedia

Deze pagina werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van het LIFE-programma van de EU in het kader van het LIFE Belgium for Biodiversity project (LIFE B4B).

Lees meer

Gerelateerde soortenfiches