De habitat is niet grondwaterafhankelijk.
Het grondwaterpeil van dit habitattype kan in de winter vrij hoog staan.
Dit habittype omvat de zuurminnende Eiken-Berkenbossen op zeer voedselarme zandgronden met Zomereik, Ruwe en Zachte berk, vaak gemengd met Wilde lijsterbes en Ratelpopulier. In mindere mate komen ook Wintereik en Beuk voor. De struiklaag is zwak ontwikkeld en bevat Sporkehout en berk en verder ook sporadisch Wilde lijsterbes. De kruidlaag is arm en bestaat vooral uit Bochtige smele, Blauwe bosbes, Struikhei en andere grassen en kruiden van zure bodems.
Dit habittype omvat de zuurminnende Eiken-Berkenbossen op zeer voedselarme zandgronden met Zomereik, Ruwe en Zachte berk, vaak gemengd met Wilde lijsterbes en Ratelpopulier. In mindere mate komen ook Wintereik en Beuk voor. De struiklaag is zwak ontwikkeld en bevat Sporkehout en berk en verder ook sporadisch Wilde lijsterbes. De kruidlaag is arm en bestaat vooral uit Bochtige smele, Blauwe bosbes, Struikhei en andere grassen en kruiden van zure bodems.
Dit habitattype is o.a. zeer belangrijk voor vogelsoorten zoals de Middelste bonte, de Zwarte specht, de Wespendief en verder ook voor een groot aantal vogels van structuurrijke loofbossen (o.a. Fluiter, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Boomkruiper, Appelvink, Bosuil).
Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur
Dit habitattype omvat de zuurminnende, oligotrofe Eiken- Berkenbossen op zeer voedselarme, vaak gepodsoliseerde of slecht doorlaatbare kwartaire dekzandgronden met Zomereik, Ruwe en Zachte berk, vaak gemengd met Wilde lijsterbes en Ratelpopulier. In mindere mate komen ook Wintereik en Beuk voor. Bij een strikte interpretatie worden alleen de ‘oude’ bossen tot het habitattype gerekend, met een goed ontwikkelde structuur, inclusief volgroeide bomen van o.a. eik en logischerwijze dus reeds minstens 100 jaar bos.
De struiklaag is zwak ontwikkeld en bevat Sporkehout en berk en verder ook sporadisch Wilde lijsterbes. De kruidlaag is arm en bestaat vooral uit Bochtige smele, Blauwe bosbes, Struikhei en andere grassen en kruiden van zure bodems. Pijpenstrootje groeit op vochtige plekken. Verder komt vaak een dichte moslaag voor met vooral Gesnaveld klauwtjesmos.
Dit habitattype is o.a. zeer belangrijk voor de Middelste bonte, de Zwarte specht, de Wespendief en verder ook voor een groot aantal vogels van structuurrijke loofbossen (o.a. Fluiter, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Boomkruiper, Appelvink, Bosuil). Oude eiken en holle, dode en kwijnende bomen zijn essentieel voor soorten als Boommarter, vleermuizen (o.a. Rosse vleermuis), Vliegend hert en voor behoud en ontwikkeling van een rijke gemeenschap van ongewervelde dieren, mossen en fungi.
Voldoende structuurrijkdom impliceert ook open plekken, mantels en zomen, met een groot aantal zeldzame soorten die geassocieerd worden met schrale zomen, heischrale graslanden en heidebiotopen (Levendbarende hagedis, Hazelworm, talrijke insectensoorten als Bruine eikenpage, Bont dikkopje, zandloopkevers, Veldkrekel enz.). Langs bosranden en op open plekken vinden we de typische koepelnesten van bosmieren. In de strooisellaag van deze open bossen komt de Boskrekel voor. Grote open plekken en jonge bestanden in het bos zijn een potentiële broedplaats voor de Nachtzwaluw en Boomleeuwerik, naast de bedreigde Boompieper.
De habitat is niet grondwaterafhankelijk.
Het grondwaterpeil van dit habitattype kan in de winter vrij hoog staan.
Dit bostype komt voor op zeer voedselarme, vaak gepodsoliseerde of slecht doorlaatbare kwartaire dekzandgronden. Dit type is gebonden aan zure zandgronden: de pH-CaCl2 zal in de regel lager zijn dan 3,4. Vergeleken met eiken-beukenbossen op zure bodems (9120) heeft dit habitattype een relatief lage hoeveelheid Kjeldahl N (< 0.27% N_Kj). Dit is een gevolg van de lagere hoeveelheid organisch materiaal in de bovenste minerale bodem.
Zuurminnende eikenbossen op zandvlakten hebben een lage Olsen- P (< 13,5 mg/kg), wellicht ten dele een gevolg van de sterke vastlegging van P door aluminium in de zeer zure bodem. Aangezien dit habitattype afhankelijk is van voedselarme omstandigheden, met ondermeer een geringe N voorraad, is het erg gevoelig voor N-deposities. N-deposities mogen niet meer dan 15/kg/jaar bedragen.
Omwille van de zure bodem is in dit habitattype geen voorjaarsflora aanwezig. Dit neemt niet weg dat ook de minder gevoelige soorten die kenmerkend zijn voor dit habitat, bijvoorbeeld echte guldenroede, hengel en blauwe bosbes, kunnen achteruitgaan door verdere verzuring. Zuurminnende eikenbossen op zandvlakten hebben een beperkte strooisellaag (< 9 cm). Bij verdere ‘rijping’ van de bodem neemt de nutriëntenvoorraad toe en is het habitattype in staat te evolueren naar habitattype Eiken-beukenbossen op zure bodems.
Heeft als sleutelsoorten in de kruidlaag:
Heeft als sleutelsoorten in de kruidlaag die duiden op een overgang naar habitattype 9120: Bosanemoon (Anemone nemorosa), Dubbelloof (Blechnum spicant), Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis), Witte klaverzuring (Oxalis acetosella), Ruige veldbies (Luzula pilosa), Grote veldbies (Luzula sylvatica), Dalkruid (Maianthemum bifolium), Bosgierstgras (Milium effusum), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum), Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum)
Heeft als sleutelsoorten in de boom- en struiklaag: Zomereik (Quercus robur), Wintereik (Quercus petraea), Quercus x rosacea, Ruwe berk (Betula pendula), Zachte berk (Betula pubescens), Ratelpopulier (Populus tremula), Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), Sporkehout (Frangula alnus)
Heeft als sleutelsoorten in de boom- en struiklaag die duiden op een overgang naar habitattype 9120: Beuk (Fagus sylvatica), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Hazelaar (Corylus avellana), Haagbeuk (Carpinus betulus), Hulst (Ilex aquifolium)
Heeft als soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen: Braam sp. (Rubus sp.), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata), Witbol (Holcus lanatus/mollis), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus), IJle zegge (Carex remota)
Heeft als invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere, Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Rimpelroos (Rosa rugosa), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii))
Heeft als invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere, Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (Buddleja davidii), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Robinia (Robinia pseudoacacia), Rododendron (G) (Rhododendron spp.), uitheems naaldhout
Heeft als constante soorten (soorten die in de meeste van de gebieden met het betreffende habitattype aanwezig zijn, maar niet beperkt zijn tot het habitattype en die een indicator zijn van een goede biotische of abiotische toestand): Eikenpage (Neozephyrus quercus), Bonte vliegenvanger (Fycedula hypoleuca), Boomleeuwerik (Lullula arborea), Boompieper (Anthus trivialis), Gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus), Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), Wespendief (Pernis apivorus), Zwarte specht (Dryocopus martius)
Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest.
Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.
Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.
Dit habitattype komt in aanmerking voor verschillende bosbeheervormen.
Een klassiek hooghoutbeheer, dat aan de voorwaarden van een duurzaam multifunctioneel bosbeheer voldoet, en dat rekening houdt met de natuurlijke karakteristieken en vereisten van het bostype, kan verenigbaar zijn met het behoud en de ontwikkeling van het habitattype. In een aantal specifieke situaties (rijke uitgangssituatie, kwetsbare zones, belangrijke potenties) is evenwel een aangepast beheer, dat zich volledig toespitst op de aanwezige specifieke natuurwaarden, wenselijk of zelfs noodzakelijk om kwalitatief duurzaam behoud en ontwikkeling te garanderen. Specifieke beheermaatregelen omvatten o.a. zoomen mantelbeheer, open-plekken-beheer, omvormingsbeheer van aanplanten van naaldhout en Amerikaanse eik, exotenbestrijding en maximaal behoud van dikke bomen en dood hout.
Andere mogelijke bosbeheervormen voor dit habitattype zijn nietsdoen-beheer, middelhout- of hakhoutbeheer. Seizoensbegrazing is mogelijk bij lage dichtheden in combinatie met aangrenzende open schrale terreinen en bij voorkeur met het inlassen van dichtheidsfluctuaties en/of verjongingsperiodes. Begrazing is niet combineerbaar met omvorming van naaldhout naar loofhout.
Verminderen van atmosferische depositie, luchtvervuiling en bemestingsinvloeden vormen een eerste voorwaarde voor het behoud en herstel van dit habitattype. Het instellen van bufferzones is noodzakelijk als maatregel tegen het inwaaien en inspoelen van nutriënten. Een ander belangrijk aspect is de bestrijding van Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en andere invasieve exoten, die een ontwikkeling naar de natuurlijke vegetatie beletten. Ook is spontane successie mogelijk uit voedselarme, open terreinen (heide, kapvlakte of stuifzanden). Bestrijding van Amerikaanse vogelkers en andere invasieve exoten is een basisvereiste om een succesvolle omvorming te realiseren. Bij de vochtige varianten dient tevens de hoge grondwatertafel behouden of hersteld. Er dient gestreefd naar een grote structuurrijkdom en een toename van de hoeveelheid dood hout. Tevens is het herstel of de ontwikkeling van een voldoende grote, aaneengesloten bosoppervlakte wenselijk, door bosuitbreiding of verbinding van bestaande bossen.
Groeiklassen gebruik je om de horizontale structuur of ontwikkelingsfasen van het bos te evalueren. Een ecologisch goed ontwikkeld bos heeft 3 of meer verschillende groeifases met best ook dikke bomen. Bij de meeste bostypes zijn de dikke bomen groeifase 7, bij sommige bostypes worden de bomen niet vaak zo dik en kan dit fase 6 of 5 zijn.
De klassen zijn: