Struisgraslanden zijn grondwateronafhankelijk.
Beheer struisgrasgraslanden (habitat HGB HA)
Struisgraslanden zijn graslanden op vrij arme zure droge bodems.

De habitat van gewestelijk belang in het kort
Struisgraslanden zijn graslanden op vrij voedselarme zure droge bodems. Vaak voorkomende soorten in dit graslandtype zijn Duizendblad, Smalle weegbree, Knolboterbloem, Jakobskruiskruid en Gewoon struisgras. Maar deze soorten komen ook voor in andere graslandtypes. Meer kenmerkende soorten zijn Akkerhoornbloem, Gewone veldbies, Gewoon Biggenkruid, Kleine leeuwentand en Muizenoor.
Technische info
Waarnemen, determineren, ontdekken
Officiële titel
Struisgrasgraslanden
Code
- HGB HA
Beschrijving
De struisgrasgraslanden vertonen een min of meer gesloten grasmat, waarin ook heischrale soorten kunnen voorkomen. Door het gesloten karakter krijgen eenjarige plantensoorten hier minder kansen. Zwak ontwikkelde vegetaties komen ruim verspreid voor onder de vorm van droge graslanden, vaak op matig voedselarme zandige bodems. Goed ontwikkelde vegetaties zijn terug te vinden in wegbermen, op dijken, in dreven, op schrale taluds, in onbemeste gazons of een zeldzame keer in (hobby)weiden.

Raadpleeg de kaart met de habitats van gewestelijk belang
Milieukenmerken
Relaties
Flora
Sleutelsoorten
Heeft als kwaliteitsindicerende soorten:
- Akkerhoornbloem (Cerastium arvense)
- duizendblad (Achillea millefolium)
- gewone rolklaver (Lotus corniculatus subsp. Corniculatus)
- gewone reigersbek (Erodium cicutarium subsp. Cicutarium)
- gewone veldbies (Luzula campestris)
- gewoon biggenkruid (Hypochaeris radicata)
- hazenpootje (Trifolium arvense)
- kleine bevernel (Pimpinella saxifraga)
- kleine leeuwentand (Leontodon saxatilis)
- liggende klaver (Trifolium campestre)
- muizenoor (Hieracium pilosella)
- schapenzuring (Rumex acetosella)
- schermhavikskruid (Hieracium umbellatum)
- sint-janskruid (Hypericum perforatum)
- zandhoornbloem (Cerastium semidecandrum)
- zandzegge (Carex arenaria).
Kenmerkende soorten van schrale graslanden en pioniergraslanden op zure bodems:
- het betonie (Stachys officinalis)
- de blauwe knoop (Succisa pratensis)
- het bosviooltje (Viola riviniana)
- het borstelgras (Nardus stricta)
- het bosgoudknopje (Gnaphalium sylvaticum)
- de grijs schapengras (Corynephorus canescens)
- het gewoon havikskruid (Hieracium lachenalii)
- dwergviltkruid (Filago minima)
- eekhoorngras (Vulpia bromoides)
- fijn schapengras (Festuca filiformis)
- fraai hertshooi (Hypericum pulchrum)
- geel walstro (Galium verum)
- gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris)
- grasklokje (Campanula rotundifolia)
- heidespurrie (Spergula morisonii)
- hondsviooltje (Viola canina)
Soorten die verstoring aanwijzen
Heeft als soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen:
- bedekking van braam (Rubus)
- gewone berenklauw (Heracleum sphondylium)
- gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos)
- kropaar (Dactylis glomerata).
Heeft als soorten die verstoring (intensief gebruik) aanwijzen waarvan de toename kan duiden op een te grote begrazingsdruk:
- bedekking van Engels raaigras (Lolium perenne)
- kleine ooievaarsbek (Geranium pusillum)
- kruipende boterbloem (Ranunculus repens)
- ruw beemdgras (Poa trivialis)
- witte klaver (Trifolium repens)
- zachte ooievaarsbek (Geranium molle).
Heeft als soorten die verstoring (eutrofiëring) aanwijzen:
- bedekking van grote brandnetel (Urtica dioica)
- hondsdraf (Glechoma hederacea)
- kleefkruid (Galium aparine).
Heeft als soorten die verstoring (ruderalisering) aanwijzen:
- bedekking van akkerdistel (Cirsium arvense)
- boerenwormkruid (Tanacetum vulgare)
- Canadese fijnstraal (Conyza canadensis)
- grote weegbree (Plantago major)
- heermoes (Equisetum arvense)
- herderstasje (Capsella bursa-pastoris)
- Italiaans raaigras (Lolium multiflorum)
- jakobskruiskruid (Senecio jacobaea)
Natura 2000-doelhabitat
Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest.
Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.
SBZ I : Zoniënwoud en vallei van de Woluwe
Kwantitatieve doelstellingen
- ten minste behoud van de bestaande oppervlakte
Kwalitatieve doelstellingen
- ten minste het behoud van de kwalitatieve staat van instandhouding
- integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding van sleutelsoorten zoals Hieracium pilosella, Trifolium arvense, Potentilla erecta, Hieracium umbellatum, Luzula campestris, Anthoxantum odoratum en Rumex acetosella alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt
SBZ II : Bossen en open gebieden in Ukkel
Kwantitatieve doelstellingen
- het behoud van de bestaande 0,2 ha
Kwalitatieve doelstellingen
- ten minste het behoud van de kwalitatieve staat van instandhouding die op het ogenblik van de identificatie van het gebied bestond
- integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding van sleutelsoorten zoals de Hieracium pilosella, Trifolium arvense, Potentilla erecta, Hieracium umbellatum, Luzula campestris, Anthoxantum odoratum, Rumex acetosella mogelijk maakt
Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.
- Toepassen van een verschralend maaibeheer.
- Opheffen van de bronnen van verzuring en eutrofiëring.
Beheer struisgrasgraslanden
Onderhoudsbeheer
Het onderhoudsbeheer bestaat uit 1 keer per jaar maaien of begrazing. De maaibeurt valt eind augustus begin september, let er hierbij op dat de doelsoorten in zaad staan. Is dit niet het geval maai je wat later. Ook via begrazing kan je een droog soortenrijk struisgrasland onderhouden.
Zorg er ook hiervoor dat de doelsoorten in zaad kunnen komen en dat de vegetatie kort de winter in gaat. Zoals bij alle maai- en begrazingsbeheer is het voor de fauna belangrijk delen te hebben waar de vegetatie in de winter blijft staan. In een landschap met ruigte, heide en bosranden kan dit ook naast het heischraalgrasland.

Criteria van gunstige staat van de habitat
Vegetatieopbouw
- Er zijn minstens 5 kwaliteitsindicerende soorten en soorten heischraal en open grasland frequent aanwezig in een vlak van 5x5 m2.
- De kwaliteitsindicerende soorten en soorten heischraal en open graslandhebben samen een bedekking van ≥ 10 %.
Vegetatiestructuur
- Grassen bedekken maximaal 70%.
- De dominantie van soorten is afwezig (met gecombineerde bedekking ≥ 70%).
- Bomen en struiken zijn hooguit occasioneel aanwezig.
Verstoringskenmerken
-
Zones met dominantie van verruigingsindicatoren nemen een oppervlakteaandeel in ≤ grenswaarde:
- Verruiging neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
- Intensief gebruik neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 30%.
- Eutrofiëring neemt hooguit occasioneel een oppervlakteaandeel aan.
- Ruderalisering neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.

Bedreigingen
- Vermesting of eutrofiëring: de aanrijking met voedingsstoffen (voornamelijk stikstof en fosfor) afkomstig van landbouw, verkeer en industriële activiteit. Algemeen wordt gesteld dat de vegetatie van schrale graslanden in hun groei beperkt worden door stikstof. De hoge stikstofdepositie van de afgelopen decennia heeft geleid tot een sterke toename in de beschikbaarheid van stikstof voor planten. Meestal leidt dit uiteindelijk tot vergrassing met sterke overheersing van Bochtige smele of Gewoon struisgras onder droge omstandigheden. Ander onderzoek suggereert echter dat de soortenrijkdom van schrale graslanden in de eerste plaats een functie is van de fosforbeschikbaarheid in de bodem. Hogere biomassaproductie, en dus waarschijnlijk competitieve verdringing van kenmerkende plantensoorten, blijkt ook in verband te staan met hogere fosforbeschikbaarheid. Een beperkte soortenanalyse geeft eveneens aan dat het voorkomen van kenmerkende plantensoorten van schrale graslanden voornamelijk afhangt van de fosforbeschikbaarheid.
-
Bodemverzuring is een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van de droge en natte schrale graslanden. Verzurende atmosferische depositie leidt tot uitloging van basische kationen in de bodem. Verzuring van de schrale graslanden heeft twee effecten.
- Er treedt een verschuiving op in het bufferingsmechanisme. De zuurbuffering door uitwisseling van basische kationen zoals calcium, magnesium en kalium aan het adsorptiecomplex maakt plaats voor buffering door het oplossen van aluminiumverbindingen, de aluminiumbuffering. Het omslagpunt ligt ongeveer bij pH=4,5. De basische kationen gaan in oplossing en spoelen uit naar diepere bodemlagen. Daarmee wordt de beschikbaarheid van voor de plant belangrijke voedingsstoffen als calcium, magnesium en kalium verlaagd. De concentraties van metalen, vooral aluminium (Al3+), in het bodemvocht stijgen. Voor veel plantensoorten van heischrale graslanden zijn deze ionen toxisch, zeker als er weinig calcium of kalium aanwezig is.
- Het tweede effect van de verzuring is de daling van de mineralisatie- en nitrificatiesnelheid. Dit leidt zowel tot een sterkere accumulatie van strooisel als het stijgen van ammoniumgehalten in het bodemvocht. Karakteristieke soorten van heischrale graslanden, zijn niet bestand tegen hoge ammoniumconcentraties in het bodemvocht bij lage pH's. Ze zullen dus bij verzuring verdwijnen.