Een wisselende grondwaterstand wordt vaak als een van de meest kenmerkende milieuparameters voor dit verbond opgegeven, maar er zijn aanwijzingen dat bij de goed ontwikkelde associaties de schommelingen eerder gering zijn en grotere schommelingen de banalere vertegenwoordigers tot gevolg hebben.
Beheer zilverschoongraslanden (habitat HGB ZIL)
Zilverschoongraslanden komen voor op standplaatsen die langdurig nat zijn, vaak gekoppeld aan sterke schommelingen in de waterstand.

De habitat van gewestelijk belang in het kort
De standplaatsen van het Zilverschoongraslanden worden gekenmerkt door betreding en langdurig hoge waterstanden of overstromingen in de winter. Daarna wordt het meestal veel droger en kan het vee komen grazen. De bodem is (zeer) voedselrijk en de meest typische vorm betreft permanente weiden met depressies of grachten, waarlangs het Zilverschoongrasland voorkomt. Een aantal typische soorten zijn Zilverschoon, Geknikte vossenstaart, Watermunt, Gewone waterbies, Valse voszegge en Zeegroen rus . Andere opvallende kenmerkenden soorten zijn Aarbeiklaver en Kruipend moerasscherm maar deze zijn zeldzamer.
Technische info
Waarnemen, determineren, ontdekken
Officiële titel
zilverschoongraslanden
Code
- HIR ZIL
Beschrijving
Zilverschoongraslanden komen voor op standplaatsen die langdurig nat zijn, vaak gekoppeld aan sterke schommelingen in de waterstand. De meeste standplaatsen worden begraasd en betreden, hoewel ook antropogene verstoringen vaak geschikte (pioniers)standplaatsen creëren. De aard van het substraat is erg variabel, maar voedselrijkere bodems overwegen. De vegetatie neemt zelden grote oppervlaktes in, maar is in zijn typische vorm een smalle gordel tussen een drogere en een nattere standplaats. Vrij algemene kenmerkende soorten zijn Zilverschoon, Fioringras, Geknikte vossenstaart en Zompvergeet-mij-nietje. Meer zeldzame soorten van het Zilverschoongrasland zijn Aardbeiklaver, Moeraszoutgras en de zeer zeldzame habitatrichtlijnsoort Kruipend moerasscherm.

Raadpleeg de kaart met de habitats van gewestelijk belang
Milieukenmerken
Relaties
Flora
Sleutelsoorten
Heeft als kwaliteitsindicerende soorten:
- Aardbeiklaver (Trifolium fragiferum)
- akkerkers (Rorippa sylvestris)
- blaartrekkende boterbloem (Ranunculus sceleratus)
- Engelse alant (Inula britannica)
- fraai duizendguldenkruid (Centaurium pulchellum)
- geknikte vossenstaart (Alopecurus geniculatus)
- getande weegbree (Plantago major subsp. Intermedia)
- gewone waterbies (Eleocharis palustris)
- groot moerasscherm (Apium nodiflorum)
- heelblaadjes (Pulicaria dysenterica)
- klein vlooienkruid (Pulicaria vulgaris)
- kruipend moerasscherm (Apium repens)
- moeraszoutgras (Triglochin palustris)
- pijptorkruid (Oenanthe fistulosa)
- platte rus (Juncus compressus)
- polei (Mentha pulegium)
- rode ogentroost (Odontites vernus)
- schildereprijs (Veronica scutellata)
- slanke waterbies (Eleocharis uniglumis)
- valse voszegge (Carex cuprina)
- viltig kruiskruid (Senecio erucifolius)
- voszegge (Carex vulpina)
- waterkruiskruid (Senecio aquaticus)
- watermunt (Mentha aquatica)
- zeegroene rus (Juncus maritimus)
- zeegroene zegge (Carex flacca)
- zilte rus (Juncus gerardii)
- zilte zegge (Carex distans)
- zilverschoon (Potentilla anserina)
- zomprus (Juncus articulatus).
Soorten die verstoring aanwijzen
Heeft als soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen:
- bedekking van bitterzoet (Solanum dulcamara)
- gewone smeerwortel (Symphytum officinale)
- grote kattenstaart (Lythrum salicaria)
- haagwinde (Calystegia sepium)
- harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum)
- koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum)
- moerasspirea (Filipendula ulmaria)
- rietgras (Phalaris arundinacea)
- wolfspoot (Lycopus europaeus).
Heeft als soorten die verstoring (eutrofiëring) aanwijzen:
- bedekking van blaartrekkende boterbloem (Ranunculus sceleratus)
- gele waterkers (Rorippa amphibia)
- grote brandnetel (Urtica dioica)
- hondsdraf (Glechoma hederacea)
- kleefkruid (Galium aparine)
- liesgras (Glyceria maxima)
- ganzenvoet (Chenopodium).
Heeft als soorten die verstoring (verdroging) aanwijzen:
- bedekking van Engels raaigras (Lolium perenne)
- gewone hoornbloem (Cerastium fontanum)
- gewoon timoteegras (Phleum pratense)
- grote weegbree (Plantago major)
- paardenbloem (Taraxacum)
- vijfvingerkruid (Potentilla reptans)
- witte klaver (Trifolium repens).
Heeft als soorten die verstoring (pitrus) aanwijzen waarvan de toename het gevolg kan zijn van bodemverdichting, eutrofiëring of veranderingen in de waterhuishouding:
bedekking van pitrus (Juncus effusus).
Heeft als soorten die verstoring (ruderalisering) aanwijzen:
- bedekking akkerdistel (Cirsium arvense)
- bijvoet (Artemisia vulgaris)
- grote weegbree (Plantago major)
- heermoes (Equisetum arvense)
- jakobskruiskruid (Senecio jacobaea)
- kluwenzuring (Rumex conglomeratus)
- kruldistel (Carduus crispus)
- kweek (Elymus repens)
- ridderzuring (Rumex obtusifolius)
- speerdistel (Cirsium vulgare).
Natura 2000-doelhabitat
Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest.
Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.
SBZ I : Zoniënwoud en vallei van de Woluwe
Kwantitatieve doelstellingen
- Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.
Kwalitatieve doelstellingen
- Evolueren naar een gunstige staat van instandhouding over 75 % van de oppervlakte.
- Integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding van sleutelsoorten zoals Agrostis stolonifera, Potentilla anserina, Carex cuprino, Festuca arundinacea, Cardamine pratensis, Mentha aquatica en Rumex crispus alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt.
SBZ III : Bossen en vochtige gebieden van de Molenbeekvallei
Kwantitatieve doelstellingen
- Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.
Kwalitatieve doelstellingen
- Integratie van deze habitat in een netwerk van graslandhabitats die de verspreiding via zaden van sleutelsoorten zoals Agrostis stolonifera, Potentilla anserina, Carex cuprino, Festuca arundinacea, Cardamine pratensis, Mentha aquatica en Rumex crispus alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt.
Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden
- Toepassen van een maaibeheer en/of toepassen van extensief begrazingsbeheer.
- Opheffen van de bronnen van verzuring en eutrofiëring.
Beheer zilverschoongraslanden
Onderhoudsbeheer
Het handhaven van een hoge grondwatertafel in combinatie met een begrazingsbeheer levert de beste garantie op voor het voortbestaan. Mooie voorbeelden kunnen zich ontwikkelen bij graslanden die kunnen overstromen (rivieruiterwaarden) en worden begraasd.
In het buitenland zijn heel mooie en bloemrijke voorbeelden bekend onder varkensbegrazing, die tegelijk zorgt voor begrazing en door zijn gewroet ook voor een permanent pioniermilieu.

Criteria van gunstige staat van de habitat
Vegetatieopbouw
- Er zijn minstens 5 kwaliteitsindicerende soorten frequent aanwezig in een vlak van 5x5 m2.
- De kwaliteitsindicerende soorten hebben samen een bedekking van ≥ 10 %.en ≥ 30% incl. fioringras (Agrostis stolonifera).
Vegetatiestructuur
- Grassen bedekken maximaal 50%.
- De dominantie van soorten is afwezig (met gecombineerde bedekking ≥ 50%).
- Bomen, struiken en bramen zijn hooguit occasioneel aanwezig.
Verstoringskenmerken
-
Zones met dominantie van verruigingsindicatoren nemen een oppervlakteaandeel in ≤ grenswaarde:
- Verruiging neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
- Eutrofiëring neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
- Verdroging neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
- Ruderalisering neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.
- Pitrus neemt een oppervlakteaandeel in van maximaal 10%.

