Over Renature Brussel Contact
nl
Een initiatief vanLeefmilieu Brussel

Beheer beukenbossen op zure bodems (habitat 9120)

Zuurminnende beukenbossen zijn te herkennen aan verscheidene zuurtolerante soorten zoals Lelietje-van-dalen, Dalkruid, Adelaarsvaren, Blauwe bosbes of Valse salie. Ook Bosanemoon kan voorkomen maar dit duidt op iets rijkere bodem. Vaak en zeker onder Beuk is de bodem kaal.

Afbeelding van zuurminnende beukenbossen

De natura 2000 habitat in het kort

Zuurminnende beukenbossen zijn te herkennen aan verscheidene zuurtolerante soorten zoals Lelietje-van-dalen, Dalkruid, Adelaarsvaren, Blauwe bosbes of Valse salie. Ook Bosanemoon kan voorkomen maar dit duidt op iets rijkere bodem. Vaak en zeker onder Beuk is de bodem kaal. Deze "Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei" komen voor op zure bodems in zowel laagland als montaan gebied, onder een vochtig, Atlantisch klimaat. De boomlaag van dit bostype kan gedomineerd worden door Eik als gevolg van het vroegere middel- en hakhoutbeheer. Bij ontbreken of extensiveren van het beheer kunnen Beuk en vaak ook Hulst spontaan verjongen in deze bestanden.

Technische info

Doelgroep Professionals - Overheidinstanties
Seizoen Herfst - Winter - Lente - Zomer
Type actie Onderhouden - Beschermen - Diagnosticeren
Betrokken ruimte Natura 2000 - Groene ruimte
Niveau Ervaren  

Waarnemen, determineren, ontdekken

Officiële titel

Zuurminnende Atlantische beukenbossen met ondergroei van Ilex of soms Taxus (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion).

Code

  • 9120

Beschrijving

In onze streken beantwoorden de eikenmengbossen en Eiken-Beukenbossen op vrij voedselarme zand- en zandleemgronden, en de zuurminnende beukenbossen op uitgeloogde leempakketten het best aan dit habitattype. Ook bossen met Bosgierstgras en Witte klaverzuring (de zogenaamde Gierstgras-Beukenbossen) behoren tot dit type. Dit zijn bossen met iets rijkere kruidlaag waarbij sporadisch Bosanemoon en Groot heksenkruid voorkomen. Dit type is echter te arm om bij het Essen-Eikenbos (9160) te worden gerekend. Het kan evenmin onder Veldbies-Beukenbos (9110) worden gecatalogeerd, gezien het ontbreken of zeer zeldzaam voorkomen van de kensoort Witte veldbies en het uitgesproken (sub)Atlantisch karakter. Vaak is eik (zowel Zomer- als Wintereik) dominant aanwezig, maar Beuken verjongen er vrij goed, naast plaatselijk ook Gewone esdoorn, Es en Zoete kers. In het Gierstgras-Beukenbos is Beuk vaak dominant. In de struiklaag komt vooral veel Hazelaar voor en mogelijk ook Gelderse roos en Haagbeuk. Bij de vochtige variant van dit type kunnen ook Zwarte els, Zachte berk en Geoorde wilg aanwezig zijn. Typische plantensoorten zijn Adelaarsvaren, Wilde kamperfoelie, Lelietje-van-dalen, Dalkruid, Gladde witbol en op voedselarmere standplaatsen ook Bochtige smele, Blauwe bosbes, Hengel en Valse salie. Bramen kunnen sterk overheersen bij eutrofiëring door stikstofdeposities of na recente verstoring.

Afbeelding van zuurminnend beukenbos (Habitat 9120) in Brussel (Grippensdelle, Watermaal-Bosvoorde)
Zuurminnend beukenbos (Habitat 9120) in Brussel (Grippensdelle, Watermaal-Bosvoorde) © Jeroen Mentens (Vilda)

Raadpleeg de kaart met de Natura 2000-habitats

Dit habitattype is van essentieel belang voor een aantal soorten die gebonden zijn aan deze boscomplexen of aan de habitatdiversiteit die hier mogelijk is (bv. mantels en interne bosranden). Ook voor het behoud van monumentale oude bomen en de daaraan gekoppelde fauna en flora is dit habitattype van essentieel belang. Het overgrote deel van de monumentale bomen (omtrek groter dan 3 meter) in onze bossen bevindt zich in dit habitattype.

Dit habitattype is o.a. zeer belangrijk voor de Middelste bonte en Zwarte specht en Wespendief, en verder ook voor een groot aantal vogels van structuurrijke loofbossen (o.a. Fluiter, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Bosuil). Oude, dode en kwijnende bomen (met holtes) zijn essentieel voor soorten als Boommarter, vleermuizen, Vliegend hert en voor behoud en ontwikkeling van een rijke gemeenschap van ongewervelde dieren (o.a. Boskrekel), mossen en fungi. Voldoende structuurrijkdom impliceert ook open plekken, mantels en zomen, met geassocieerde fauna en flora (lichtminnende plantensoorten, Hazelworm, Levendbarende hagedis, zweefvliegen van oud bos, Kleine ijsvogelvlinder in mantels en open plekken met Wilde kamperfoelie, enz.).


Milieukenmerken

Door gebreksverschijnselen en toxiciteiten ontbreken de meeste voorjaarsbloeiers op de zure bodems. Het organisch armere habitattype 9190 (Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur) kan zich ontwikkelen tot een zuurminnend beukenbos wanneer de bodem ‘rijpt’ (door toename van de strooisellaag) en de nutrientenvoorraad toeneemt.

Hydrologie

Dit habitat is grondwaterafhankelijk


De standplaats van dit habitat is meestal niet door grondwater beïnvloed, hoewel ondiep basenarm grondwater of stuwwater een rol kunnen spelen, vooral in het westen van Vlaanderen.

Bodem

Atlantische zuurminnende beukenbossen zijn gebonden aan een zure bodem (pH-CaCl2 < 4,1), met een textuur die sterk kan variëren. Ze komen voor op voedselarme en zure, droge tot min of meer vochtige minerale bodems. De strooisellaag kan tot 13 cm dik zijn, wat een gevolg is van de dominantie van boomsoorten met moeilijk afbreekbaar strooisel (eik, beuk) en van sterke beschaduwing. De hoeveelheid Olsen P kan tot 43,6 mg/kg P bedragen.

De grenswaarde voor stikstofdepositie werd vastgelegd op 20 kg/ha/jaar.

Relaties

Flora

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten in de kruidlaag

  • Bosanemoon (Anemone nemorosa)
  • Dubbelloof (Blechnum spicant)
  • Pilzegge (Carex pilulifera)
  • Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis)
  • Witte klaverzuring (Oxalis acetosella)
  • Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum)
  • Ruige veldbies (Luzula pilosa)
  • Grote veldbies (Luzula sylvatica)
  • Dalkruid (Maianthemum bifolium)
  • Bosgierstgras (Milium effusum)
  • Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum)
  • Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum)
  • Valse salie (Teucrium scorodonia)

Aanvullende sleutelsoorten in de kruidlaag: 

  • Struikhei (Calluna vulgaris)
  • Bochtige smele (Deschampsia flexuosa)
  • Stijf havikskruid (Hieracium laevigatum)
  • Boshavikskruid (Hieracium sabaudum)
  • Schermhavikskruid (Hieracium umbellatum)
  • Hengel (Melampyrum pratense)
  • Pijpenstrootje (Molinia caerulea)
  • Echte guldenroede (Solidago virgaurea)
  • Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus)


Heeft als sleutelsoorten in de boom- en struiklaag:

  • Beuk (Fagus sylvatica)
  • Wintereik (Quercus petraea)
  • Zomereik (Quercus robur)
  • Kruising tussen Zomer- en Wintereik (Quercus x rosacea)
  • Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia)
  • Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus)
  • Ruwe berk (Betula pendula)
  • Hazelaar (Corylus avellana)
  • Haagbeuk (Carpinus betulus)
  • Sporkehout (Frangula alnus)
  • Hulst (Ilex aquifolium)
  • Zachte berk (Betula pubescens)
  • Ratelpopulier (Populus tremula)

Soorten die verstoring aanwijzen

Soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen :

  • Braam sp. (Rubus sp.)
  • Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata)
  • Witbol (Holcus lanatus/mollis)
  • Gewone vlier (Sambucus nigra)
  • Grote brandnetel (Urtica dioica)
  • Kleefkruid (Galium aparine)
  • Waterpeper (Polygonum hydropiper)
  • Pitrus (Juncus effusus)
  • IJle zegge (Carex remota)

Invasieve exoten in de kruidlaag :

  • Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum)
  • Japanse duizendknoop (Fallopia japonica)
  • Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis))
  • Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis)
  • Rimpelroos (Rosa rugosa)
  • Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum)
  • Schijnaardbei (Duchesnea indica)
  • Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii)
  • Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii))

Invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag :

  • Hemelboom (Ailanthus altissima)
  • Vlinderstruik (Buddleja davidii)
  • Amerikaanse eik (Quercus rubra)
  • Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina)
  • Robinia (Robinia pseudoacacia)
  • Rododendron (G) (Rhododendron spp.)
  • Uitheems naaldhout

Fauna

Heeft als karakteristieke soorten (soorten die zich bij voorkeur in het betreffende habitattype voortplanten): 

  • Keizersmantel (Argynnis paphia)
  • Kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camilla)

Heeft als constante soorten (soorten die in de meeste van de gebieden met het betreffende habitattype aanwezig zijn, maar niet beperkt zijn tot het habitattype en die een indicator zijn van een goede biotische of abiotische toestand): 

  • Hazelworm (Anguis fragilis)
  • Boomklever (Sitta europaea)
  • Bosuil (Strix aluco)
  • Fluiter (Phylloscopus sibilatrix)
  • Havik (Accipiter gentilis)
  • Middelste bonte specht (Dendrocopus medius)
  • Wespendief (Pernis apivorus)
  • Zwarte specht (Dryocopus martius)

Natura 2000-doelhabitat

Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. 

Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.

SBZ I : Zoniënwoud en vallei van de Woluwe

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Evolueren naar een gunstige staat van instandhouding over 50 % van de oppervlakte.
  • Ontwikkeling van een boshabitat met gediversifieerde horizontale en verticale structuur.
  • Behoud of progressief herstel van de boom- en struiklagen bestaande uit een mengsel van voor deze habitat kenmerkende soorten zoals Ilex aquifolium, Quercus petraea, Sorbus aucuparia, Acer pseudoplatanus, Fagus sylvatica, Betula pendula, Corylus avellana, Quercus robur, Carpinus betulus, Frangula alnus, Populus tremula, Tilia cordata.
  • Behoud van staand en liggend dood hout naar rato van 5 % van het totale staande houtvolume.

SBZ II : Bossen en open gebieden in Ukkel

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.
  • Geleidelijke uitbreiding van de huidige oppervlakte door conversie van de bestaande naaldboombestanden.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Ten minste het behoud van de bij identificatie van het gebied aanwezige staat van instandhouding.
  • Ontwikkeling van een boshabitat met gediversifieerde horizontale en verticale structuur.
  • Behoud van staand en liggend dood hout naar rato van minstens 4% van het totale staande volume.
  • Behoud of progressief herstel van de boom- en struiklagen bestaande uit een mengsel van voor deze habitat kenmerkende soorten zoals de Ilex aquifolium, Quercus petraea, Sorbus aucuparia, Acer pseudoplatanus, Fagus sylvatica, Betula pendula, Corylus avellana, Quercus robur, Carpinus betulus, Frangula alnus.
  • Op het niveau van het kronendak moet minimaal 70% van de voor de habitat kenmerkende soorten worden bereikt.

SBZ III : Bossen en vochtige gebieden van de Molenbeekvallei

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Ontwikkeling van een boshabitat met gediversifieerde horizontale en verticale structuur.
  • Behoud van staand en liggend dood hout naar rato van 4 % van het totale staande houtvolume.
  • Behoud of progressief herstel van de boom- en struiklagen bestaande uit een mengsel van voor deze habitat kenmerkende soorten zoals Ilex aquifolium, Ilex aquifolium, Quercus petraea, Sorbus aucuparia, Acer pseudoplatanus, Fagus sylvatica, Betula pendula, Corylus avellana, Quercus robur, Carpinus betulus, Frangula alnus, Populus tremula, Tilia cordata.
  • Op het niveau van het kronendak moet minimaal 70 % van de voor de habitat kenmerkende soorten worden bereikt.

Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

Afbeelding van dood hout in het Zoniënwoud
Dood hout in het Zoniënwoud © Yves Adams (Vilda)

Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.

  • Bevorderen van de natuurlijke en karakteristieke soorten van de habitat bij aanplantingen en/of bij de natuurlijke verjonging.
  • Uitbreiden van de hoeveelheid staand of liggend dood hout.
  • Actief beheren van invasieve exotische soorten, vermeld in bijlage IV van de ordonnantie, om hun verspreiding in te perken of om ze te verwijderen.
  • Opheffen van de bronnen van eutrofiëring.
  • Kanaliseren van het recreatieve gebruik om de kwetsbare gebieden te beschermen.
  • Ontwikkelen van bosrandvegetatie op de grens van de bospercelen en in de open plekken.

Beheer beukenbossen op zure bodems (habitat 9120)

Onderhoudsbeheer

Dit habitattype komt in aanmerking voor verschillende bosbeheervormen. Een klassiek hooghoutbeheer, dat aan de voorwaarden van een duurzaam multifunctioneel bosbeheer voldoet, en dat rekening houdt met de natuurlijke karakteristieken en vereisten van het bostype, kan verenigbaar zijn met het behoud en de ontwikkeling van het habitattype. In een aantal specifieke situaties (rijke uitgangssituatie, kwetsbare zones, belangrijke potenties) is evenwel een aangepast beheer dat zich volledig toespitst op de aanwezige specifieke natuurwaarden wenselijk of zelfs noodzakelijk om kwalitatief duurzaam behoud en ontwikkeling te garanderen. Specifieke beheermaatregelen omvatten o.a. zoom- en mantelbeheer, open-plekken-beheer, exotenbestrijding, vrijstellen van soorten die onderdrukt worden door een dicht beukenscherm en maximaal behoud van dikke bomen en dood hout. Andere mogelijke bosbeheervormen in dit habitattype zijn nietsdoen-beheer, middelhout- of hakhoutbeheer. Bij deze laatste vorm verdwijnt Beuk uit de boomlaag, wat het niet toepasbaar maakt in het Gierstgras-Beukenbos. Dit type is omwille van zijn hoge gevoeligheid voor degradatie, weinig tot ongeschikt voor bosbegrazing (enkel seizoensbegrazing bij sterke verbraming, of zeer extensieve begrazing van zeer grote terreinen, waarbij ook open terrein mee is ingerasterd).

Herstel- en ontwikkelingsbeheer

Herstel en ontwikkeling van waardevolle bostypen vereisen het verminderen van de atmosferische depositie en luchtvervuiling en het instellen van bufferzones rondom het bos. Herstel van een meer natuurlijk bostype is mogelijk door natuurlijke successie of actieve omvorming van exoten- en monotone dichte beukenaanplanten naar bossen met een meer natuurlijke structuur en samenstelling, met bijzondere aandacht voor dikke bomen en dood hout. Bestrijding van Amerikaanse vogelkers (en in sommige gevallen ook Amerikaanse eik, Amerikaans krentenboompje, Rododendron e.a. exoten) is een basisvereiste om een succesvolle omvorming te realiseren of spontane successie kans op succes te geven. Tevens is het herstel en de ontwikkeling van een voldoende grote, aaneengesloten bosoppervlakte wenselijk, door bijvoorbeeld verbinding van bestaande bossen.

Afbeelding van dalkruid (Maianthemum bifolium)
Dalkruid (Maianthemum bifolium) © Jan van der Straaten (Saxifraga)

Criteria van gunstige staat van de habitat

Vegetatieopbouw

  • De sleutelsoorten in de kruidlaag bedekken minstens 30% EN er zijn minstens 7 soorten aanwezig.
  • De sleutelsoorten van de struik- en boomlaag bedekken minsten 70% van het grondvlak (streven naar 90% EN meerdere soorten die ≥ 10% bedekken) (Streven naar: Alle potentieel aanwezige sleutelsoorten van het habitatype komen in natuurlijke bedekkingen voor, zonder daarbij buitensporige inspanningen te moeten leveren.).

Habitatstructuur

  • Alle vegetatielagen zijn minstens frequent aanwezig (streven naar abundante aanwezigheid).
  • Het bos is ongelijkjarig gemengd OF kleine ingrepen werden verricht via een plenterslagstructuur (tot 0,3 ha) OF middelgrote ingrepen werden verricht via een femelslagstructuur (0,3-1 ha).
  • Groeiklasse 7-bomen zijn aanwezig OF er zijn minstens 3 groeiklassen aanwezig (streven naar aanwezigheid van klasse 7 EN minstens 4 groeiklassen aanwezig).
  • Aandeel dood hout is meer dan 4%, streefwaarde is meer dan 10% - het aandeel dik dood hout (meer dan 40 cm diameter) is gelijk of hoger dan 1 exemplaar per hectare (streven naar minstens 3 exemplaren/ha).
  • De bosconstantie (hoe lang het bosperceel al bos is) is meer dan 100 jaar, de streefwaarde is 200 jaar.
Afbeelding van beuken (Fagus sylvatica) in het Zoniënwoud
Beuken (Fagus sylvatica) in het Zoniënwoud © Yves Adams (Vilda)

Verstoringskenmerken

  • Invasieve exoten zijn slechts sporadisch aanwezig in de kruidlaag EN vormen maximaal 10% bedekking in de boom- en struiklaag (streven naar de sporadische aanwezigheid van invasieve exoten in alle vegetatielagen).
  • Zones met dominantie van verruigingsindicatoren nemen een oppervlakteaandeel in ≤ grenswaarde:
    - Alle verruigingssoorten samen bedekken minder dan 50%.
    - Gewone braam bedekken maximaal 50%.
    - Brede stekelvaren en witbol samen bedekken maximaal 10%.
    - Vlier, Grote brandnetel, Hondsdraf en Kleefkruid bedekken maximaal 10%.
    - Waterpeper, Pitrus en Ijle zegge samen bedekken maximaal 10%.
    - Streven naar:
    alle verruigingsindicatoren bedekken samen maximaal 30%.
    Gewone braam bedekt minder dan 30%.
    Brede stekelvaren en witbol samen bedekken minder dan 10%.
    Alle andere soorten komen slechts sporadisch voor.

Verspreiding

  • Het Zoniënwoud is een voorbeeld van een goed ontwikkeld bos van dit habitattype.
Welke zijn de verschillende groeiklassen?

Groeiklassen gebruik je om de horizontale structuur of ontwikkelingsfasen van het bos te evalueren. Een ecologisch goed ontwikkeld bos heeft 3 of meer verschillende groeifases met best ook dikke bomen. Bij de meeste bostypes zijn de dikke bomen groeifase 7, bij sommige bostypes worden de bomen niet vaak zo dik en kan dit fase 6 of 5 zijn.

De klassen zijn:

  • 1. Open plek (tijdelijk boomvrije oppervlakte)
  • 2. Vroege stadia van natuurlijke bebossing met habitat-typische pionierhoutsoorten (gemiddelde hoogte < 2m)
  • 3. Jonge boompjes (gemiddelde hoogte 2m)
  • 4. Jong hout (gemiddelde hoogte > 2m tot diameter 13 cm / omtrek < 40 cm )
  • 5. Hout met geringe tot middelmatige dikte (diameter stam 14-49 cm / omtrek 40-149 cm)
  • 6. Dik hout (diameter stam 50-79 cm / omtrek 150-240 cm)
  • 7. Zeer dik hout (diameter stam 80 cm / omtrek > 240 cm)

Bedreigingen

  • Dit bostype is extreem gevoelig voor eutrofiëring en verzuring door atmosferische deposities en voor inspoeling van nutriënten van hoger gelegen plateaus en aangrenzende akkers.
  • Overwoekering van de struiklaag door Amerikaanse vogelkers, Amerikaans krentenboompje, Rododendron.
  • Bodemerosie en/of bodemcompactie door intensieve recreatie of exploitatie (vooral Gierstgras-Beukenbos).
  • Aanplanten van exoten (naaldhout, Amerikaanse eik enz.) of monotone jonge beukenaanplantingen.
  • Grootschalig en/of intensief kapbeheer met grondbewerking, heraanplant en overexploitatie leiden tot habitatdegradatie met weinig oude bomen en dood hout en een zwakke structuurontwikkeling.
  • Versnippering.
  • Een te hoge wildstand van bijvoorbeeld Ree bemoeilijkt natuurlijke verjonging.

Partners

Deze pagina werd mogelijk gemaakt dankzij de content van Ecopedia

Deze pagina werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van het LIFE-programma van de EU in het kader van het LIFE Belgium for Biodiversity project (LIFE B4B).

Lees meer

Gerelateerde soortenfiches