Over Renature Brussel Contact
nl
Een initiatief vanLeefmilieu Brussel

Beheer kalktufbronnen met tufsteenformatie (habitat 7220*)

Tufsteen bestaat uit kalkafzettingen die ontstaan in bronnen en bovenlopen van beekjes met erg kalkrijk water, waar het hele jaar door dunne laagjes calciumcarbonaat afgezet worden op de in het water aanwezige blaadjes, dennennaalden, takjes, wieren, mossen enz.

Afbeelding van kalktufbron in Brussel (Rood Klooster)

De natura 2000 habitat in het kort

Tufsteen bestaat uit kalkafzettingen die ontstaan in bronnen en bovenlopen van beekjes met erg kalkrijk water, waar het hele jaar door dunne laagjes calciumcarbonaat afgezet worden op de in het water aanwezige blaadjes, dennennaalden, takjes, wieren, mossen enz. Dit habitattype komt voor in reliëfrijke streken met een ondergrond met kalksteen, kalkrijke zanden of mergels en krijt, waar kalk in grote hoeveelheden oplost in het grondwater.

Technische info

Doelgroep Professionals - Overheidinstanties
Seizoen Herfst - Winter - Lente - Zomer
Type actie Onderhouden - Beschermen - Diagnosticeren
Betrokken ruimte Natura 2000 - Groene ruimte
Niveau Ervaren  

Waarnemen, determineren, ontdekken

Officiële titel

Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)

Code

7220*

Beschrijving

Tufsteen bestaat uit kalkafzettingen die ontstaan in bronnen en bovenlopen van beekjes met erg kalkrijk water, waar het hele jaar door dunne laagjes calciumcarbonaat afgezet worden op de in het water aanwezige blaadjes, dennennaalden, takjes, wieren, mossen enz.

Dit habitattype komt voor in reliëfrijke streken met een ondergrond met kalksteen, kalkrijke zanden of mergels en krijt, waar kalk in grote hoeveelheden oplost in het grondwater. Wanneer dit grondwater aan het oppervlak komt ontsnapt een deel van de CO2 die het water bevat aan de atmosfeer (daling CO2) en vindt een verschuiving van het chemisch evenwicht (Ca(HCO3)2 oplosbaar ↔ CaCO3 vast + CO2 gas + H2O ) plaats, waardoor het calciumcarbonaat (CaCO3) uit het water neerslaat. Deze chemische reactie, is dus voor een belangrijk deel veroorzaakt door ontgassing naar de atmosfeer en eventueel versterkt door opwarming van het water. Ook biologische factoren spelen een niet te onderschatten rol: de actieve opname van CO2 uit het water door de fotosynthese van ondergedoken vegetatie; mossen, algen (diatomeeën) en bacteriën (cyanobacteriën), evenals de fixatie van carbonaat kristallen op het oppervlak van deze organismen, spelen ook een belangrijke rol in de vorming van tufsteen en kalksteen. Mossen doen dienst als groeisubstraat voor algen en kiezelwieren en accumuleren de kalkafzetting. Na het afsterven van deze organismen en de vertering van het organische materiaal, blijven alleen de kalkskeletten over. Door accumulatie over een zeer lange tijd ontstaat hieruit een gelig gesteente: tufsteen. Dit is een poreuze en sponsachtige variëteit van travertijn waarin de structuur van het organische materiaal nog herkenbaar is.

Afbeelding van kalktufbron in Brussel (Rood Klooster)
Kalktufbron in Brussel (Rood Klooster) © Jeroen Mentens (Vilda)

Raadpleeg de kaart met de Natura 2000-habitats

De typische kensoorten komen in Brussel voor in bronbossen, waar kalkrijk grondwater aan het oppervlak komt. In deze bronnen vindt men een karakteristieke mossenflora met soorten als Geveerd en Gewoon diknerfmos en bronplanten zoals Bittere veldkers, Verspreidbladig en Paarbladig goudveil en Reuzenpaardenstaart. Indien in deze bossen duidelijke kalkafzetting optreedt, worden ze tot dit habitattype gerekend.

Onder de aquatische macrofauna zijn een aantal, doorgaans zeldzame organismen specifiek gebonden aan neutrale tot basenrijke, permanente bronmilieus zoals de blinde vlokreeft Niphargus, de kokerjuffer Wormaldia occipitalis, de platworm Crenobia alpina, de steenvlieg Nemoura marginata en de waterkever Hydraena melas. In de mospakketten en het organisch sapropelium leven o.a. larven van gespecialiseerde vliegensoorten. Het open water is het voortplantingsmilieu van de Vuursalamander.


Milieukenmerken

  • Dit is een prioritair habitattype.

Dit habitattype is gebonden aan plaatsen met actieve kalktufvorming: mineraalrijke bronnen en bronbeken op steile hellingen in streken met kalkrijke bodem. Kalktufvorming treedt enkel op waar het water oververzadigd is aan calcium en bicarbonaat, zodat er kalk kan neerslaan. Neerslag en accumulatie van kalk leidt tot actieve vorming van tufsteen. Het habitattype is gevoelig aan verdroging, verzuring en waterverontreiniging. Naast het abiotische bereik van het grondwater spelen ook het microklimaat (bijv. temperatuur en licht), de stroomsnelheid en de topografie een belangrijke rol bij de vorming van kalktuf. Het water is helder, zuurstofrijk en heeft een min of meer constante temperatuur.

Hydrologie

Dit habitattype is grondwaterafhankelijk.

Het abiotische bereik van dit habitattype wordt voornamelijk bepaald door de eigenschappen van het oppervlaktewater. Het is essentieel dat het grond- of oppervlaktewater rijk is aan calcium (Ca: >82 mg/l) en bicarbonaat (HCO3: >167 mg/l). Ook een hoge pH (>7) is belangrijk. De conductiviteit is bijgevolg ook hoog (EC25: >471 μS/cm). Het water dient arm aan fosfaat te zijn (PO4-P: <0.077 mg/l). Het hoge calcium-gehalte in het water zorgt hier voor een belangrijke natuurlijke buffering (Ca: 87-190 mg/l). De sulfaat concentratie kan enorm schommelen (SO4: 36,81 – 167,61 mg/l). Het kenmerkt zich ook door lage ammoniumconcentraties (NH4-N: xtagstartz0.2 mg/l).

Bodem

Het abiotische bereik van dit habitattype wordt voornamelijk bepaald door de eigenschappen van het oppervlaktewater.

Relaties

Flora

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten (indicator van een goede toestand): 

  • Echt vetmos (Aneura pinguis)
  • Beekdikkopmos (Brachythecium rivulare)
  • Kegelmos (Conocephalum conicum)
  • Gewoon diknerfmos (Cratoneuron filicinum)
  • Tufmos (Eucladium verticillatum)
  • Geveerd diknerfmos (Palustriella commutata, Palustriella falcata)
  • Gekroesd plakkaatmos (Pellia endiviifolia)

Soorten die verstoring aanwijzen

Heeft als soorten die verstoring (eutrofiëring) aanwijzen: draadalgen (bv. Enteromorpha spp.)

Heeft als invasieve exoten: 

  • Japanse duizendknoop (Fallopia japonica)
  • Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis)
  • Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sacchalinensis))
  • Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum)
  • Canadese guldenroede (Solidago canadensis)
  • Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera)
  • Schijnaardbei (Duchesnea indica)
  • Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum)
  • Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii)
  • Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

Fauna

Heeft als constante soort (soort die in de meeste van de gebieden met het betreffende habitattype aanwezig is, maar niet beperkt is tot het habitattype en die een indicator is van een goede abiotische toestand): Vuursalamander (Salamandra salamandra)

Natura 2000-doelhabitat

Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. 

Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.

SBZ I : Zoniënwoud en vallei van de Woluwe

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Ten minste het behoud van de bij identificatie van het gebied aanwezige staat van instandhouding.
  • Progressief herstel van de vereiste kwalitatieve en kwantitatieve hydrologische randvoorwaarden voor dit type van habitat.

SBZ III : Bossen en vochtige gebieden van de Molenbeekvallei

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Ten minste het behoud van de bij identificatie van het gebied aanwezige staat van instandhouding.
  • Progressief herstel van de vereiste kwalitatieve en kwantitatieve hydrologische randvoorwaarden voor dit type van habitat.

Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

Afbeelding van kalktufbron met tufsteenformatie
Kalktufbron met tufsteenformatie © Yves Adams (Vilda)

Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.

  • Opheffen van de bronnen van verdroging en eutrofiëring.
  • Bevorderen van de natuurlijke en karakteristieke soorten van de habitat.
  • Opvangen en laten insijpelen van regen- en bronwater van goede kwaliteit.
  • Kanaliseren van het recreatieve gebruik en de beheerwerken om de kwetsbare gebieden te beschermen.

Beheren

Onderhoudsbeheer:

Dit habitattype vraagt geen inwendig beheer. Het uitwendige beheer streeft naar behoud van de natuurlijke waterhuishouding en het vermijden van eutrofiëring en betreding.

Herstel- en ontwikkelingsbeheer:

Dichtgestorte en gedraineerde bronnen kunnen redelijk goed worden hersteld in de oorspronkelijke toestand. Opgedroogde en geëutrofieerde bronnen zijn veel moeilijker of niet te herstellen omdat de hydrologie en het landgebruik in het infiltratiegebied soms onherroepelijk zijn gewijzigd.

Criteria van gunstige staat van de habitat

Vegetatie opbouw

  • Er zijn minstens 2 sleutelsoorten aanwezig, waarvan minstens één bestaat uit Gewoon diknerfmos, Geveerd diknerfmos of Tufmos (streven naar een hoger aantal sleutelsoorten).
  • De sleutelsoorten bedekken ≥10% (streven naar hogere bedekkingen).

Habitatstructuur

  • Er is actieve tufvorming aanwezig: kalkafzetting vindt plaats op het merendeel van het substraat en bij moskussens is het meerendeel van de mosstengels omhuld met minstens 1mm kalk.
  • Het aanwezige kalktuf bedekt ≥10% (streven naar een hogere bedekking)
Afbeelding van kalktufbron in Brussel (Rood Klooster)
Kalktufbron in Brussel (Rood Klooster) © Jeroen Mentens, Vilda

Verstoringskenmerken

  • Afzettingen van met het water aangevoerde substraten (bv. Slib, zand,..) zijn niet aanwezig (bedekking ≤1%).
  • Zichtbare tekenen van schade aan de habitatstructuur (brand, spoorvorming door voer-/werktuigen, vertrappeling & overbetreding, afval) zijn niet aanwezig (bedekking ≤1%).
  • Het aandeel van draadalgen is minder dan 10% (streven naar een lager aandeel)

Bedreigingen

  • Grondwaterwinning, drainage of verminderde infiltratie in het infiltratiegebied en beschadiging van ondoorlaatbare lagen leiden tot het droogvallen van de bron.
  • Eutrofiëring, door uitspoeling van meststoffen naar het grondwater in het infiltratiegebied, leidt tot degradatie van de bronbeekflora en -fauna.
  • Dichtstorten van bronnen en graafwerken leiden tot direct habitatverlies.
  • Versnelde afvoer van bronwater treedt op bij uitdiepen of rechttrekken van bronbeekjes en vermindert de mogelijkheid voor kalkafzettingen.
  • Het habitattype is zeer kwetsbaar voor betreding en vertrapping.

Partners

Deze pagina werd mogelijk gemaakt dankzij de content van Ecopedia

Deze pagina werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van het LIFE-programma van de EU in het kader van het LIFE Belgium for Biodiversity project (LIFE B4B).

Lees meer

Gerelateerde soortenfiches