Over Renature Brussel Contact
nl
Een initiatief vanLeefmilieu Brussel

Beheer voedselrijke, gebufferde wateren met rijke waterplantvegetatie (habitat 3150)

Dit habitattype komt voor in ondiepe tot vrij diepe, stilstaande tot zeer zwak stromende, wateren op voedselrijke bodem, zoals meren, plassen, vijvers en afgesneden meanders. Het water is van nature rijk aan voedingsstoffen door chemische uitwisseling met de bodem. 

Afbeelding van habitat 3150 in Rood Klooster

De natura 2000 habitat in het kort

Dit habitattype komt voor in ondiepe tot vrij diepe, stilstaande tot zeer zwak stromende, wateren op voedselrijke bodem, zoals meren, plassen, vijvers en afgesneden meanders. Het water is van nature rijk aan voedingsstoffen door chemische uitwisseling met de bodem. In tegenstelling tot hypertrofe (extreem voedselrijke) wateren is fosfaat meestal limiterend en het water is helder zonder periodieke algenbloei. Het vegetatietype en de bijhorende faunagemeenschap kunnen ook voorkomen in sloten, vaarten of brede watergangen met goede waterkwaliteit.

Technische info

Doelgroep Particulieren - Overheidinstanties - Professionals
Seizoen Herfst - Winter - Lente - Zomer
Type actie Diagnosticeren - Onderhouden - Beschermen
Betrokken ruimte Water - Groene ruimte - Natura 2000
Niveau Ervaren  

Waarnemen, determineren, ontdekken

Officiële titel

Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition

Code

  • 3150

Beschrijving

Dit habitattype wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan drijvende en ondergedoken waterplanten, behorend tot verschillende waterplantengemeenschappen, met name vegetaties van het Kikkerbeetverbond (Hydrocharition), het verbond van grote fonteinkruiden (Magnopotamion) en de eendenkroosklasse (Lemnetea minoris). Door eutrofiëring verdwijnen de karakteristieke soorten, waardoor deze plantengemeenschappen in Brussel op de meeste plaatsen nog slechts in zwak ontwikkelde vorm te vinden zijn. Dit habitattype wordt als goed ontwikkeld beschouwd indien het gaat om relatief soortenrijke vegetaties, waarin meer dan één van de volgende sleutelsoorten voorkomt: Doorgroeid fonteinkruid (Potamogeton perfoliatus), Gegolfd fonteinkruid (Potamogeton zizii), Glanzig fonteinkruid (Potamogeton lucens), Groot blaasjeskruid (Utricularia vulgaris), Krabbenscheer (Stratiotes aloides), Kransvederkruid (Myriophyllum verticillatum), Kikkerbeet (Hydrocharis morsus-ranae), Kroosmos (Ricciocarpos natans), Loos blaasjeskruid (Utricularia australis), Puntkroos (Lemna trisulca), Rivierfonteinkruid (Potamogeton nodosus), Rossig fonteinkruid (Potamogeton alpinus), Spits fonteinkruid (Potamogeton acutifolius). Een in Brussel uitgestorven kenmerkende soort is het Langstengelig fonteinkruid.

Afbeelding van de Rood Klooster vijvers die gekarteerd zijn als habitat 3150
Rood Klooster vijvers die gekarteerd zijn als habitat 3150 © Yves Adams, Vilda

Raadpleeg de kaart met de Natura 2000-habitats


Hydrologie

Dit habitattype is grondwaterafhanklijk.

  • De maximum pH van het water ligt tussen 7,5 en 8,5, de minimum pH van het water bedraagt 6,5.
  • Het totale opgeloste stikstof is minder dan 1,3 mg N/l.
  • De maximale totale opgeloste fosfor bedraagt 0,04 - 0,09 mg P/l. De fosforconcentratie is zeer laag vergeleken met oligo-mesotrofe wateren (bv type 3140: 0,4-0,11 mg P/l), fosfor is limiterend in deze habitat.
  • De minimale zichtdiepte (Secchi diepte) bevindt zich op 1,7 - 3,9 m/bodem.
  • De hoeveelheid zwevende stoffen in het water bedraagt maximaal 2,5 - 4 mg/l.
  • Het Biologisch Zuurstofverbruik (BZV) bedraagt maximaal 6 mg O2/l.
  • Het Chemisch Zuurstofverbruik (CZV) bedraagt maximaal 30 mg O2/l.
  • De zuurstof concentratie bedraagt minimaal 6 mg O2/l.
  • De zuurstof verzadiging ligt op maximaal 120%.
  • Het maximale Elektrisch Geleidingsvermogen (EGV) ligt tussen 350 en 1000 μS/cm
  • De maximale chloride concentratie bedraagt 70 - 300 mg Cl/l.
  • De maximale sulfaat concentratie bedraagt 50 - 80 mg SO4/l.

Milieukarakteristieken

Het habitattype komt voor in permanent, beschut, stilstaand tot zeer zwak stromend voedselrijk water op bodems met een belangrijke leem-, veen- en/of kleifractie en/of kalkrijke bodems. De waterdiepte kan zeer gering zijn (Hydrocharition), maar ook enkele meter bedragen (Magnopotamion). Het bereik omvat zowel kleine (smalle slootjes, poelen, laagveenplasjes) als grote wateren (vaarten, vijvers, zand-, klei- of grindwinningsputten, meren). Het water bevat vrij veel opgeloste basen (doorgaans pH ≥ 7) en opgeloste mineralen. Er is geen overmatige eutrofiëring zodat de groei van draadalgen en fytoplankton beperkt blijft, terwijl een evenwichtig zoöplankton- en visbestand eveneens bijdragen aan de helderheid van het water. Ook het optreden van ijzerrijke kwel of kalk in de bodem kunnen een belangrijke impact hebben op de nutriëntenbeschikbaarheid.

Luchtkwaliteit

De N-depositie bevindt zich best onder 30 kg N/ha/jaar.

Relaties

Flora

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten:

  • Doorgroeid fonteinkruid (Potamogeton perfoliatus)
  • Gegolfd fonteinkruid (Potamogeton zizii)
  • Glanzig fonteinkruid (Potamogeton lucens)
  • Groot blaasjeskruid (Utricularia vulgaris)
  • Krabbenscheer (Stratiotes aloides)
  • Kransvederkruid (Myriophyllum verticillatum)
  • Kikkerbeet (Hydrocharis morsus-ranae)
  • Kroosmos (Ricciocarpos natans)
  • Langstengelig fonteinkruid (Potamogeton praelongus)
  • Loos blaasjeskruid (Utricularia australis)
  • Puntkroos (Lemna trisulca)
  • Rivierfonteinkruid (Potamogeton nodosus)
  • Rossig fonteinkruid (Potamogeton alpinus)
  • Spits fonteinkruid (Potamogeton acutifolius
  • Soorten die verstoring aanwijzen

    Heeft als soorten die verstoring (eutrofiëring) aanwijzen: 

  • Aarvederkruid (Myriophyllum spicatum)
  • Darmwier (Ulva sp.)
  • Eendenkroos (G) uitgezonderd Puntkroos (Lemna spp. excl. Lemna trisulca)
  • Grote Kroosvaren (Azolla filiculoides)
  • Hoornblad (G) (Ceratophyllum spp.)
  • Liesgras (Glyceria maxima)
  • Schedefonteinkruid (Potamogeton pectinatus; syn. Stuckenia pectinata)
  • Veelwortelig kroos (Spirodela polyrhiza)
  • Waternetje (Hydrodiction reticulatum)
  • Wortelloos kroos (Wolffia arrhiza)
  • Heeft als invasieve exoten:

  • Canadeze rus (Juncus canadensis)
  • Dwergkroos (Lemna minuta)
  • Egeria (Egeria densa)
  • Grote kroosvaren (Azolla filiculoides)
  • Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides)
  • Kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides)
  • Knopkroos (Lemna turionifera)
  • Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)
  • Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum)
  • Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum)
  • Smalle waterpest (Elodea nuttallii)
  • Verspreidbladige waterpest (Lagarosiphon major)
  • Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora)
  • Watercrassula (Crassula helmsii)
  • Waterhyacint (Eichhornia crassipes)
  • Fauna

    Heeft als karakteristieke soorten (soorten die zich bij voorkeur in het betreffende habitattype voortplanten): 

  • Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)
  • Variabele waterjuffer (Coenagrion pulchellum)
  • Heeft als constante soorten (soorten die in de meeste van de gebieden met het betreffende habitattype aanwezig zijn, maar niet beperkt zijn tot het habitattype en die een indicator zijn van een goede biotische of abiotische toestand): 

  • Glassnijder (Brachytron pratense)
  • Bruine korenbout (Libellula fulva)
  • Snoek (Esox lucius)
  • Zeelt (Tinca tinca)
  • Natura 2000-doelhabitat

    Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. 

    Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.

    SBZ I : Zoniënwoud met bosrand, aangrenzende bosgebieden en Woluwevallei:

    Kwantitatieve doelstellingen

    Te verwezenlijken doelstellingen voor de volgende vijvers:

    • Hoefijzervijver
    • Lange Woluwevijver (oost)
    • Grote en Kleine Mellaertsvijver
    • Vijver van het Ten Reukenpark
    • Vijvers 4 en 5 van het Rood Klooster
    • Droge vijver van de Vuylbeek
    • Vijver van het Vuursteendomein
    • Vijver van Bosvoorde - Molenvijver

    Kwalitatieve doelstellingen

    • Progressieve realisatie van een gunstige kwalitatieve toestand.
    • Komen tot natuurlijke ecosystemen met helder water, een grote variatie aan drijvende of onderwaterplanten en een natuurlijke beekvegetatie.
    • Komen tot een natuurlijk evenwicht tussen de vispopulaties, waarbij woelende soorten vermeden worden.
    • Bevorderen van natuurlijke oevers en amfibievriendelijke inrichtingen.
    • Progressief herstel van de vereiste kwalitatieve en kwantitatieve hydromorfologische randvoorwaarden voor dit type van habitat.

    Kwantitatieve doelstellingen

    Te realiseren doelstelling voor:

    • 2 vijvers in het Moeras van Ganshoren

    Kwalitatieve doelstellingen

    • Progressieve realisatie van een gunstige kwalitatieve toestand.
    • Komen tot natuurlijke ecosystemen met helder water, een grote variatie aan drijvende of onderwaterplanten en een natuurlijke beekvegetatie.
    • Komen tot een natuurlijk evenwicht tussen de vispopulaties, waarbij woelende soorten vermeden worden.
    • Bevorderen van natuurlijke oevers en amfibievriendelijke inrichtingen.
    • Progressief herstel van de vereiste kwalitatieve en kwantitatieve hydromorfologische randvoorwaarden voor dit type van habitat.

    Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

    Afbeelding van een zwak ontwikkelde van nature eutrofe plas
    Een zwak ontwikkelde van nature eutrofe plas © Jeroen Mentens, Vilda

    Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.

  • Opheffen van de bronnen van eutrofiëring.
  • Opheffen van de lozingen van afvalwater en water afkomstig van transportinfrastructuren.
  • Voorzien van gefaseerde ruimings-/baggerwerken.
  • Vermijden van de accumulatie van organische stoffen.
  • Vermijden van een buitensporige beschaduwing (zorgen voor voldoende licht).
  • Kanaliseren van het recreatieve gebruik om de kwetsbare gebieden te beschermen.
  • Actief beheren van invasieve exotische soorten, vermeld in bijlage IV van de ordonnantie, om hun verspreiding in te perken of om ze te verwijderen.
    • Beheer voedselrijke, gebufferde wateren

      Onderhoudsbeheer

      • Tegengaan van waterverontreiniging en eutrofiëring.
      • Aangepast visstand- en watervogelbeheer.
      • Aangepast exotenbeheer.
      • Aangepast recreatief beheer.
      • Tegengaan van volledige verlanding door voorzichtig ruimen, waarbij zones van het waterlichaam onaangeroerd blijven om herkolonisatie te vergemakkelijken.
      • Vermijden van overmatige beschaduwing en accumulatie van bladmateriaal.

      Herstel- en ontwikkelingsbeheer

      Waterplantenvegetaties reageren meestal zeer snel op een verbetering van de waterkwaliteit en versterken het herstelproces, zodat dit een centraal aandachtspunt is bij het herstel van dit habitattype. De belangrijkste herstelmaatregel is het tegengaan van interne en externe eutrofiëring, zodat een fosfaatgelimiteerd watertype ontstaat. Ook hoge nitraatgehaltes zijn ongewenst. Waterlopen die voor de toevoer van nutriënten zorgen in plassen kunnen eventueel omgeleid worden, indien een structurele aanpak van de oorzaken onvoldoende mogelijk is. Interne eutrofiëring door het vrijkomen van fosfaten en sulfaten uit een verontreinigde onderwaterbodem is vaak de oorzaak van het uitblijven van ecologisch herstel. Het afvissen van bodemomwoelende vissen als Karper en Brasem, al dan niet in combinatie met uitbaggering van de verontreinigde onderwaterbodem is dan noodzakelijk. Introductie van Snoek kan bijdragen aan een evenwichtig en minder groot visbestand. Hierdoor krijgen watervlooien meer kansen, waardoor algenbloei onder controle blijft en de helderheid van het water zal toenemen, zodat waterplanten zich kunnen vestigen. Deze ingrepen in het voedselweb worden aangeduid met de term 'actief biologisch beheer' en vereisen een grondig inzicht in de lokale situatie.

      Afbeelding van Kikkerbeet (Hydrocharis morsus-ranae)
      Kikkerbeet (Hydrocharis morsus-ranae) © Jan van der Straaten (Saxifraga)

      Criteria van gunstige staat van de habitat

      Habitatstructuur

      • De grootste vegetatievlek (= vegetatie waarin sleutelsoorten meer bedekken dan andere soorten) bedekt meer dan 10 m2.
      • Helofyten bedekken < 30% (uitgezonderd sleutelsoorten).

      Vegetatie opbouw

      • Minstens één sleutelsoort (uitgezonderd puntkroos) is abundant aanwezig OF minstens 2 sleutelsoorten zijn frequent aanwezig (streven naar een hoger aandeel van sleutelsoorten).

      Verstoringskenmerken

      • Verrijkingsindicatoren bedekken ≤ 30% (streven naar een lager aandeel).
      • Invasieve exoten zijn afwezig.
      Afbeelding van habitat 3150 in Rood Klooster
      Habitat 3150 (Rood Klooster) © Yves Adams, Vilda

      Bedreigingen

      • Eutrofiëring, door inspoeling van nutriënten (nitraten, fosfaten) via grond- en/of oppervlaktewater of een verhoogde vrijstelling/beschikbaarheid ervan door aanvoer van sulfaatrijk water, naast (in)directe lozing van afvalwater, veroorzaakt algengroei of een dikke krooslaag waardoor waterplanten verdrongen worden. Ook bladval door bosontwikkeling of -aanplant rond de plas is een mogelijke oorzaak. Lokaal kunnen ook grote aantallen watervogels bijdragen aan eutrofiëring. In dit habitattype is een beperkte aanwezigheid van eutrafente soorten (bijvoorbeeld grof hoornblad (Ceratophyllum spp.), waternetje (Hydrodictyon reticulatum)) aanvaardbaar voor de meest eutrofe voorbeelden van dit type. Wanneer dergelijke soorten echter de overhand krijgen, duidt dit op een te grote beschikbaarheid van voedingsstoffen, waardoor het habitattype op relatief korte termijn in het gedrang zal komen omwille van hypertrofie en een afname in vegetatie.
      • Ruimingswerken, waarbij waterplanten frequent en drastisch worden verwijderd en de onderwaterbodem wordt verstoord, leiden tot het verdwijnen van kwetsbare soorten.
      • Verbraseming en een te hoge visstand, als gevolg van uitzetten van vis voor hengelsport, en een te lage densiteit van roofvissoorten als Snoek leiden tot troebel water, algenbloei en uiteindelijk het verdwijnen van waterplanten.
      • Gebruik van herbiciden is nefast voor waterplanten. Uitspoeling van pesticiden naar het aquatisch milieu heeft een negatieve impact op het fyto- en zoöplankton en daarmee op het volledige voedselweb.
      • Invasieve, uitheemse waterplanten zoals Smalle waterpest (Elodea nuttallii), Kroosvaren (Azolla), Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum), en Watercrassula (Crassula helmsii), kunnen de inheemse waterplanten verdringen.
      • Begrazing van waterplanten door o.a. Graskarper, Knobbelzwaan en Muskusrat kan tot het verdwijnen van kwetsbare soorten leiden.
      • Andere vormen van habitatvernietiging en degradatie worden veroorzaakt door het opvullen van vijvers, kunstmatige oeverversteviging, drainage en introductie van cultivars en exoten (vissen, Roodwangschildpad, waterplanten).
      • Boot- en zwemrecreatie kan periodiek voor verstoring zorgen; volledige kolonisatie van het water met drijvende en ondergedoken waterplanten kan voor bepaalde recreatievormen als problematisch worden ervaren.

      Partners

      Deze pagina werd mogelijk gemaakt dankzij de content van Ecopedia

      Deze pagina werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van het LIFE-programma van de EU in het kader van het LIFE Belgium for Biodiversity project (LIFE B4B).

      Lees meer

      Gerelateerde soortenfiches