Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris
Ontdek deze kleine watersalamander die zeer aanwezig is in Brussel

Belangrijkste kenmerken
Strikte bescherming op het hele gewestelijke grondgebied (Bijlage II.2.1, Natuurordonnantie). Soort van gewestelijk belang (Bijlage II.4.A, Natuurordonnantie)
Observeren, identificeren, ontdekken
De kleine watersalamander is een kleine amfibie, die meestal tussen de 7 en 10 cm groot is. Zijn rug heeft een olijfachtig bruin-groene kleur, vaak bedekt met kleine donkere vlekken, terwijl zijn buik oranje tot geel is, bezaaid met karakteristieke donkere stippen. In tegenstelling tot de vinpootsalamander is de keel van de kleine watersalamander gevlekt.
Tijdens de voortplantingsperiode onderscheiden de mannetjes zich door een golvende rugkam en een staartfilament dat langs hun staart loopt. De vrouwtjes, hoewel ze geen kam hebben, vertonen ook opvallende kleurpatronen.
Deze salamander komt voor in waterrijke gebieden zoals poelen, vijvers en ondiepe sloten om zich voort te planten. Hij stelt weinig eisen aan zijn habitat en kan worden aangetroffen in allerlei soorten stilstaand of traag stromend water, mits deze voldoende zonlicht ontvangen en voldoende onderwatervegetatie bevatten.
In zijn landfase leeft hij ook in bossen en weilanden, waar hij schuilt onder boomstronken, takken, dood blad of stenen. Kleine watersalamanders die op het land overwinteren(Overwintering in het voortplantingswater komt ook vaak voor) brengen de winter door in holtes en scheuren in de grond, tussen wortels, onder stenen, boomstammen of hopen bladeren.
Tijdens de voortplantingsperiode is hij zowel overdag als ’s nachts actief, maar in de landfase is hij meestal alleen ’s nachts actief.
Op het land worden vooral kleine slakken en regenwormen buitgemaakt, daarnaast worden ook verschillende insecten gegeten.
Elk jaar migreren salamanders heen en weer tussen hun winter- en zomerhabitat. Bosstroken, open heggen en zomen van hoge kruidachtige vegetatie kunnen fungeren als corridors tussen deze habitats, waardoor salamanders de nodige beschutting hebben tegen droogte, kou of predatie tijdens hun migratie. In het algemeen leggen ze geen grote afstanden af. Het leefgebied van een kleine watersalamander strekt zich uit over een afstand van ongeveer 100 tot 500 meter rond een voortplantingswater.
Consultez la carte des amphibiens et reptiles à Bruxelles
Cycle biologique
Tijdens de voortplantingstijd zijn ze zowel dag- als nachtactief; in de landfase meestal alleen ‘s nachts. Als hij uit zijn winterslaap (november – februari) ontwaakt bij de eerste zachte voorjaarsnachten trekt hij van schemerduister tot middernacht naar de voortplantingsplaats. De paartijd is kort en loopt vanaf eind maart tot eind mei, vanaf begin mei gaan ze weer aan land. De eieren worden elk afzonderlijk met de achterpoten tussen waterplantenbladeren gevouwen. Afhankelijk van de watertemperatuur komen ze na 2-4 weken uit. De larven ondergaan een gedaanteverwisseling (metamorfose).
De jongen gaan in augustus of september aan land, en klein deel overwintert als larve. Na 2-3 jaar zijn ze volwassen. Larven voeden zich voornamelijk met allerlei diertjes die bij de bodem leven. De volwassen dieren eten vooral vrij zwemmende dieren zoals watervlooien, maar ook eieren en larven van salamanders en kikkers.
- Zichtbaarheid: februari tot oktober
- Winterslaap: november tot februari
- Voortplanting: maart tot begin mei
Risico’s op verwarring
vrouwelijke vinpootsalamander
mannelijke vinpootsalamander
vrouwelijke alpenwatersalamander

mannelijke alpenwatersalamander

Rol in het ecosysteem
Volwassen is hij carnivoor en eet hij insecten, weekdieren, amfibieënlarven en kleine ongewervelden. De larven voeden zich met ongewervelden die op de bodem van het water leven, plankton, en schakelen daarna over op hetzelfde dieet als de volwassen dieren.
Poelen, boskarrensporen, sloten en vijvers. Deze locaties moeten zich bevinden in de nabijheid van bosgebieden, vaak op minder dan 300 meter afstand.
Deze watersalamander wordt voornamelijk aangetroffen in visvrije poelen en vijvers in parken en tuinen. Hij komt ook, zij het in mindere mate, voor in landbouwgebieden, tijdelijke waterrijke zones, moerasgebieden en bosjes, en slechts in beperkte mate in bosrijke omgevingen. In het Zoniënwoud is hij vooral aanwezig aan de noordelijke bosrand en slechts zelden dieper in het bos zelf.
Beheren en onthalen
Om deze soort te bevorderen
Poelen inrichten
- Installeer vijvers in de buurt van natuurlijke schuilplaatsen (bossen, heggen, steenhopen), idealiter in een netwerk van minstens 10 vijvers, niet meer dan 400 m uit elkaar.
- Introduceer geen vissen (roofdieren van eitjes en larven) of invasieve soorten.
- Zorg voor een ondiep gedeelte in het noorden voor een optimale opwarming van de larven. Minimaliseer schaduw.
- Houd een ruigtezone van 20 m rondom de poel, die niet gemaaid of begraasd wordt tussen 1 juli en 1 oktober (minimale hoogte: 10 cm). Indien er buiten deze periode gemaaid wordt, behoud dan 25% van de zone als schuilplaats.
- Omhein de poelen om de oevers te beschermen, maar laat een beperkte toegang toe voor drinkwater.
- Zorg ervoor dat de poel minstens tot augustus water vasthoudt (voor de metamorfose van de larven).
- Verwijder geen bladeren rondom de poelen en andere waterhabitats, omdat de soort houdt van strooisel waarin hij zich kan verschuilen.
Terrestrische habitats inrichten
- Verhoog het waterpeil in sloten of leg kleine dammen aan.
- Behoud locaties zoals ijskelders, bunkers of ruïnes, met aangepaste openingen om tocht te vermijden.
- Zet landbouwgronden om in schrale, gevarieerde weilanden die geschikt zijn voor fauna.
Migratie beveiligen
- Verminder obstakels (stoepranden, rioolroosters) door hellingen of aangepaste roosters te installeren.
- Installeer amfibieëntunnels met ondergrondse doorgangen en geleidingselementen, goed gepositioneerd en onderhouden.
- Voorkom dat kleine watersalamanders in kelders, regenbekkens of riolen terechtkomen, of maak hun uitgang mogelijk (ladders, drijvende systemen), zodat ze niet gevangen blijven.
Bestrijding van ziektes
- Volg specifieke richtlijnen, zoals het actieplan tegen chytridiomycose, om de verspreiding van pathogenen te vermijden.

Onderhoud de poelen
- Ruim de poel periodiek uit tot op de minerale bodem, met behoud van een schuilzone (25% van het oppervlak), bij voorkeur in oktober.
- Zorg voor voldoende vegetatie om salamanders beschutting te bieden.
- Bestrijd invasieve soorten zoals schildpadden en gedomesticeerde watervogels (roofdieren of bron van eutrofiëring).
- Grijp in bij vervuiling, eutrofiëring of vroegtijdige uitdroging.
Creëer verbindingen
- Plant houtkanten, hagen of brede waterlopen (minimaal 3 m, idealiter 6 m), met bufferzones zonder chemische behandelingen.
- Bevorder corridors langs waterlopen voor een vochtig microklimaat.
- Laat stapels hout, takken of boomstammen liggen voor schuilplaatsen en overwintering.
Onderhoud houtige elementen en grasstroken
- Snoei houtachtige elementen ongeveer om de 12 jaar, waarbij takken worden achtergelaten voor schuilplaatsen.
- Maai kruidenstroken tussen februari en half april (of na 1 oktober bij afwijking) op een minimale hoogte van 10 cm, met behoud van 25% van de zone als schuilplaats.
De kleine watersalamander is gevoelig voor de schimmel Batrachochytrium salamandrivorans (Bsal).
- Gebruik geen pesticiden.
Interventieschema
- Migratie van amfibieën: half februari tot eind april
- Winterslaap: november tot begin maart
- Ruimingen van poelen: oktober
- Graaf of plagwerken in bosgebieden: februari tot en met mei
- Maaien mogelijk (min. 10 cm): februari tot en met mei
- Geen maaien of begrazing: juli tot oktober

Bioveiligheid: omgaan met chytridiomycose
Deze veiligheidsvoorschriften zijn in lijn met het Belgische actieplan Bsal ter bestrijding van Batrachochytrium salamandrivorans, een schimmelziekte die salamanders aantast.
Neem voor meer informatie contact op met Leefmilieu Brussel.
Algemene maatregelen
- Hanteer amfibieën alleen als het echt noodzakelijk is.
- Amfibieën moeten altijd op de vangstlocatie worden losgelaten.
- Lavez-vous bien les mains avant d'entrer en contact avec l'eau ou avec des amphibiens. Nettoyez vous les mails également lorsque vous quittez un endroit, à l'aide d'un gel désinfectant pour les mains.
- Si vous êtes actifs sur plusieurs sites de traversée, nettoyez soigneusement votre seau entre chaque intervention en enlevant les morceaux de plantes, mottes de boue, et en le rinçant à l'eau.
Dode en/of zieke amfibieën waarvan de doodsoorzaak niet op het eerste gezicht kan worden vastgesteld, vormen een hoog risico. Hanteer ze dus enkel met handschoenen.
Neem bij het aantreffen van dode amfibieën waar de doodsoorzaak niet meteen duidelijk is (vb predatie, verkeerslachtoffers, verdrinking) contact op met de Leefmilieu Brussel.
Intacte kadavers zonder traumatische doodsoorzaak (dus géén aangereden amfibieën of kadavers die zijn aangepikt door dieren) die bovendien relatief vers zijn, worden best ingezameld voor analyse.
- Verpak in dat geval het dier in een dubbele plastic zak en stockeer het in de diepvries.
Natura 2000-doelsoort
Kwantitatieve en kwalitatieve behoudsdoelstellingen worden vastgesteld voor elke soort van regionaal of gemeenschappelijk belang die aanwezig is in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest.
SBZ I : Zoniënwoud en vallei van de Woluwe
Kwantitatieve doelstellingen
- Ten minste het behoud van de bestaande populaties.
- Indien mogelijk, ontwikkeling van de populaties.
Kwalitatieve doelstellingen
- Progressieve verwezenlijking van een kwalitatieve verbetering van de habitat van de soort.
- Progressieve verbetering van de waterkwaliteit in de waterlopen en -vlakken.
- Ten minste behoud en geleidelijke verbetering van de verbindingen tussen de verschillende amfibiepopulaties.
- Zie instandhoudingsdoelstellingen voor de habitats 3150, 6430, 9160 en 91E0.
SBZ III : Bossen en vochtige gebieden van de Molenbeekvallei
Kwantitatieve doelstellingen
- Ten minste het behoud van de bestaande populaties.
- Indien mogelijk, ontwikkeling van de populaties.
Kwalitatieve doelstellingen
- Progressieve verwezenlijking van een kwalitatieve verbetering van de habitat van de soort.
- Progressieve verbetering van de waterkwaliteit in de waterlopen en -vlakken.
- Ten minste behoud en geleidelijke verbetering van de verbindingen tussen de verschillende amfibiepopulaties.
- Zie instandhoudingsdoelstellingen voor de habitats 3150, 6430, 9160 en 91E0.