Over Renature Brussel Contact
nl
Een initiatief vanLeefmilieu Brussel

Beheer droge heide (habitat 4030)

Droge heidevegetaties worden gedomineerd door de altijdgroene dwergstruiken van Struikhei (Calluna vulgaris). De vegetatie is vaak niet hoger dan 1 m. Plaatselijk kan boom- of struikopslag aanwezig zijn. Deze halfnatuurlijke vegetaties zijn van nature rijk aan mossen en korstmossen, vooral op oudere leeftijd als de heidestruiken open vallen.

Afbeelding van een relict van droge heide in Brussel (Rood Klooster)

De natura 2000 habitat in het kort

Droge heidevegetaties worden gedomineerd door de altijdgroene dwergstruiken van Struikhei. De vegetatie is vaak niet hoger dan 1 m. Plaatselijk kan boom- of struikopslag aanwezig zijn. Deze halfnatuurlijke vegetaties zijn van nature rijk aan mossen en korstmossen, vooral op oudere leeftijd als de heidestruiken open vallen. Op arme, zure zandbodems is het aantal plantensoorten beperkt; op meer lemige bodems en voormalig beakkerde heidebodems is de heidevegetatie doorgaans rijker aan kruiden en grassen. Grassen zoals Pijpenstrootje, Bochtige smele en Fijn schapengras hebben steeds een gering aandeel in goed ontwikkelde heiden.

Technische info

Doelgroep Professionals - Overheidinstanties
Seizoen Herfst - Winter - Lente - Zomer
Type actie Onderhouden - Beschermen - Diagnosticeren
Betrokken ruimte Natura 2000 - Groene ruimte
Niveau Ervaren  

Waarnemen, determineren, ontdekken

Officiële titel

Droge Europese heide

Code

  • 4030

Beschrijving

Droge heidevegetaties bestaan uit altijdgroene dwergstruiken, gedomineerd door Struikhei. De aspectbepalende laag is vaak niet hoger dan 1 m. Plaatselijk kan boom- of struikopslag van Grove den, Zomereik, Ruwe berk, Sporkehout, Brem, Jeneverbes of bramen aanwezig zijn. Deze halfnatuurlijke vegetaties zijn van nature rijk aan mossen en korstmossen, vooral op oudere leeftijd als de heidestruiken open vallen. De vegetatiestructuur en -samenstelling hangt sterk af van de voedselrijkdom van de bodem, het gevoerde beheer, de voorgeschiedenis en de ouderdom van Struikhei. Op arme, zure zandbodems is het aantal plantensoorten beperkt; op meer lemige bodems en voormalig beakkerde heidebodems is de heidevegetatie doorgaans rijker aan kruiden en grassen. Grassen zoals Pijpenstrootje, Bochtige smele en Fijn schapengras hebben steeds een gering aandeel in goed ontwikkelde heiden.

Een kleinschalig beheer zorgt voor het behoud van de structuurvariatie. Zowel natuurlijke successie naar bos als een overwoekering door adelaarsvaren moet worden tegengegaan. De faunawaarden profiteren van de afwisseling in vegetatiestructuur, zoals open zand, jonge en oude heide, grazige stukken, solitaire bomen en struwelen.

In Brussel onderscheidt men verschillende heidetypen, maar ze behoren allemaal tot hetzelfde habitattype:

  • Droge heide met veel mossen en korstmossen: de structuurrijke heides met een belangrijk aandeel oude struiken die opengevallen of afgestorven zijn, waardoor het licht- en competitieregime erg verandert. Dit type komt vooral voor op vlakke, droge podzolgronden met een strooisellaag van wisselende dikte.
  • Gedegradeerde droge heiden met dominantie van Pijpenstrootje of Bochtige smele.
  • Droge heide met Bosbes: de heides met een verder ontwikkeld humusprofiel, waarbij Blauwe bosbes abundanter wordt. Dit type vormt vaak een overgang naar open Eiken-Berkenbos.
  • Droge heiden met open Bremstruwelen, waarbij de heidestruiken groter worden dan gewoonlijk onder invloed van de stikstof in de wortelknolletjes van Brem. In andere struwelen zijn ook soorten van heischraal grasland of van graslanden van het Struisgrasverbond aanwezig. Andere mogelijke begeleidende soorten zijn Gaspeldoorn en bramen en zeldzaamheden als Stekelbrem en Kruipbrem. Een zeldzame parasiet op Brem is de Grote bremraap.

Zonder actief beheer evolueren heiden spontaan naar zure Eiken-Berkenbossen (habitattype 9190). Veel voormalige heideterreinen zijn ontgonnen voor landbouw of werden bebost. Relicten zijn dan vaak enkel in de randzones, in dreven of tijdelijke kapvlaktes terug te vinden.

Afbeelding van een relict van droge heide in Brussel (Rood Klooster)
Relict van droge heide in Brussel (Rood Klooster) © Jeroen Mentens, Vilda

Raadpleeg de kaart met de Natura 2000-habitats


De faunawaarden zijn vooral afhankelijk van de aanwezigheid van voldoende afwisseling in vegetatiestructuur, zoals open zand, jonge en oude heide, grazige stukken, solitaire bomen en struwelen. Deze variatie is doorgaans mee bepaald door de oppervlakte en het beheer. De soortenrijkdom is groot met opvallend veel warmteminnende soorten. De Levendbarende hagedis is een algemene reptielensoort in dit habitattype. Zeer lokaal kunnen ook Gladde slang en Adder voorkomen. Open zandige plekken en paden zijn het leefgebied van Bastaard- en Groene zandloopkevers, waarvan de larven zich in het zand ingraven. Ook de typische, trechtervormige kuiltjes van mierenleeuwen kunnen langs beschutte randen van zandige paden door de heide worden aangetroffen. 

Diverse typische soorten roofvliegen kunnen zonnend op of boven het warme zand worden waargenomen, loerend naar prooi. Heiden zijn rijk aan wilde bijensoorten; tijdens de bloei van struikhei foerageren ze massaal op de nectarrijke heidebloemen. Talrijke solitaire graafbijen en graafwespen zijn aan het habitattype gebonden en gebruiken het warme zand om de larven, voorzien van een pakketje voedsel, ondergronds te laten ontwikkelen. De Driehoornmestkever verzamelt mest van konijnen en schapen en graaft die eveneens in een holletje in, als voedsel voor de larve. Talrijke soorten sprinkhanen kunnen in dit habitattype worden aangetroffen, zoals Knopsprietje, Snortikker en Heidesabelsprinkhaan, de zeldzame Veldkrekel en de bedreigde Zadelsprinkhaan en Zoemertje. Op Struikhei leven talrijke nachtvlinders, zoals Nachtpauwoog, Bruine heispanner, Grijze heispanner, Gevlekte heispanner, Roodbont heide-uiltje en Granietuil. Typische broedvogels zijn Boomleeuwerik, Nachtzwaluw, Klapekster, Tapuit, Roodborsttapuit en Boompieper.


Milieukenmerken

Hydrologie

De bodems van droge heide zijn grondwateronafhankelijk, waarbij het grondwater meer dan een meter onder het maaiveld kan wegzakken, met de GHG tussen 0,49 en 1,6 m onder het maaiveld en de GVG tussen 0,51 en 1,1 m onder het maaiveld. Oude heide met een compacte humuslaag kan meer water vasthouden. Het ondiepe grondwater bevat tussen 1,04 en 6,77 mg Kalium/l, en 2,88 à 17,4 mg Chloor/l. De ionenratio (IR) van het ondiep grondwater bedraagt 24,1-73,2%.

Bodem

Het habitattype komt meestal voor op droge, zure, voedselarme zandgronden, maar kunnen ook voorkomen op iets voedselrijkere bodems als lemig zand.

  • De C/N-ratio van de bodem ligt tussen 22 en 43.
  • De totale stikstof concentratie ligt tussen 0,033 en 0,12 kg N/ha.
  • De totale fosfor concentratie ligt tussen 38 en 160 kg P/ha.
  • De ammonium concentratie in de bodem bedraagt 0,29 à 6,3 mg N /kg bodem
  • De bodem pH ligt tussen 4,1 en 5,3.
  • Het bufferend vermogen (BV) van de bodem bevind zich tussen 1,2 en 7 mmol/m².
  • Bodem uitwisselbaar Calcium (Ca_AgTU): 0,0075-2,7 mmol/m².
  • Bodem Cr_tot 2,42-24,4 mg/kg luchtdroge bodem.
  • Bodem Co_tot 0,25-1,06 mg/kg luchtdroge bodem.

Milieukarakteristieken

Het habitattype komt meestal voor op droge, zure, voedselarme zandgronden, waar door eeuwenlange uitloging een goed ontwikkeld podzolprofiel is ontwikkeld. Dit typische bodemprofiel wordt gekenmerkt door een donkere, sterk humusrijke A1-horizont, met daaronder een askleurige, uitgeloogde A2-horizont, gevolgd door een donker gekleurde, vaak verkitte inspoelingshorizont waarin ijzer, aluminium en/of organische stof zijn geaccumuleerd (de AL/Ca-ratio bedraagt 2,1-12).

Droge heiden kunnen ook voorkomen op iets voedselrijkere bodems zoals lemig zand. De afbraak van het bodemmateriaal verloopt traag, waardoor een humuslaag gevormd wordt. Heidevegetaties komen alleen voor bij een koel, gematigd klimaat met een hoge luchtvochtigheid gedurende het grootste deel van het jaar. De vegetatie is gevarieerder naarmate de bodem beter gebufferd is tegen verzuring. De kritische grens voor stikstofdepositie ligt tussen de 7 en 14 kg N/ha/jaar.

Wat zijn podzolbodems?

Podzolbodems ontstaan wanneer er een neerwaarts transport is van bodemmateriaal door water. Opgeloste humus-, ijzer- en alminiumdeeltjes worden meegenomen door het regenwater. Hierdoor wordt de bodemlaag onder de humusrijke laag uitgespoeld. Deze krijgt dan een bleke kleur, we noemen deze laag de uitspoelingshorizont. Wat lager in de bodem slaat dit materiaal neer en krijgen we terug een donkere laag. We noemen deze laag de inspoelings- of aanrijkingshorizont.

Relaties

Flora

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten:

  • Borstelgras (Nardus stricta)
  • Fijn schapengras (Festuca filiformis)
  • Grote wolfsklauw (Lycopodium clavatum)
  • Klein warkruid (Cuscuta epithymum)
  • Kleine wolfsklauw (Lycopodium tristachyum)
  • Kruipbrem (Genista pilosa)
  • Pilzegge (Carex pilulifera)
  • Rode dophei (Erica cinerea)
  • Stekelbrem (Genista anglica)
  • Struikhei (Calluna vulgaris)
  • Tormentil (Potentilla erecta)
  • Soorten die verstoring aanwijzen

    Heeft als soorten die verstoring (vergrassing) aanwijzen: 

  • Bochtige smele (Deschampsia flexuosa)
  • Duinriet (Calamagrostis epigejos)
  • Pijpenstrootje (Molinia caerulea)
  • Struisgras (G) (Agrostis spp.)
  • Heeft als soorten die verstoring (verruiging) aanwijzen: 

  • Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum)
  • Braam (G) (Rubus spp.)
  • Heeft als soorten die verstoring (verbossing) aanwijzen: 

    • Alle boom- en struiksoorten

    Heeft als invasieve exoten:

    • Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus)

    Fauna

    Heeft als karakteristieke soorten (soorten die zich bij voorkeur in het betreffende habitattype voortplanten): 

  • Boomleeuwerik (Lullula)
  • Gladde slang (Coronella austriaca)
  • Heivlinder (Hipparchia semele)
  • Kommavlinder (Hesperia comma)
  • Snortikker (Chorthippus)
  • Zadelsprinkhaan (Ephippiger)
  • Zwart wekkertje (Omocestus)
  • Heeft als constante soorten (soorten die in de meeste van de gebieden met het betreffende habitattype aanwezig zijn, maar niet beperkt zijn tot het habitattype en die een indicator zijn van een goede biotische of abiotische toestand):

  • Blauwvleugelsprinkhaan (Oedipoda)
  • Groentje (Callophrys rubi)
  • Heideblauwtje (Plebejus argus)
  • Levendbarende hagedis (Lacerta vivipara)
  • Nachtzwaluw (Caprimulgus)
  • Roodborsttapuit (Saxicola)
  • Natura 2000-doelhabitat

    Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. 

    Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.

    SBZ I : Zoniënwoud met bosrand, aangrenzende bosgebieden en Woluwevallei:

    Kwantitatieve doelstellingen

    • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.
    • Ontwikkelen van (tijdelijke) heidelanden op de open plaatsen in zuurminnende types van bossen (9120 en 9190).
    • Implementatie van een netwerk met dit type van habitat in het Zoniënwoud en in de Vallei van de Woluwe.

    Kwalitatieve doelstellingen

    • Ontwikkelen van deze habitat als element van een goede structurele kwaliteit in de habitats 9120 en 9190.
    • Komen tot gebieden met aanwezigheid van heide en andere sleutelsoorten voor de habitat.
    • Creëren van gunstige omstandigheden voor de habitat die zich uitstrekken vanaf de plaatsen waar de habitat aanwezig is.
    • Integreren van de habitat in een coherent netwerk van bossen, bosranden en open plekken die de verspreiding van sleutelsoorten en de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt.

    Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

    Afbeelding van een relict van droge heide in Brussel (Rood Klooster)
    Relict van droge heide in Brussel (Rood Klooster) © Jeroen Mentens (Vilda)

    Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.

    • Integreren van de (tijdelijke) ontwikkeling van deze habitat in het bosbouwbeheer van het Zoniënwoud.
    • Opheffen van de bronnen van eutrofiëring.
    • Actief beheren van invasieve exotische soorten, vermeld in bijlage IV van de ordonnantie, om hun verspreiding in te perken of om ze te verwijderen.
    • Bevorderen van de natuurlijke en karakteristieke soorten van de habitat bij aanplantingen en/of bij de natuurlijke verjonging.

    Beheer droge heide

    Onderhoudsbeheer

    Voor een hoge biodiversiteit is een hoge structuurrijkdom van de heide, met een afwisseling van jonge en oude heide en lokale opslag van struweel of bomen na te streven. Een actief, cyclisch beheer is noodzakelijk om spontane verbossing tegen te gaan. De plaatselijke omstandigheden en de flora- en faunadoelstellingen bepalen de keuze voor maaien, begrazen, branden of plaggen. In elk geval dienen maatregelen als plaggen en branden enkel op kleine schaal en gefaseerd in de tijd te worden toegepast. Een kleinschalig heidebeheer bevordert doorgaans het behoud of herstel van een grote soortenrijkdom. Bij het beheer van grote heidegebieden kan men de vegetatieontwikkeling sturen door de begrazingsdruk te variëren.

    Herstel- en ontwikkelingsbeheer

    Herstelbeheer moet gericht zijn op het tegengaan van de effecten van verzuring en eutrofiëring. Plaggen tot net boven de A2-horizont is de meest efficiënte verschralingsmaatregel. Bij maaien en branden, gevolgd door verwijderen van het strooisel, kunnen ook heel wat nutriënten afgevoerd worden. Deze maatregelen bieden niet steeds de garantie dat een vergraste heidevegetatie regenereert naar een door Struikhei gedomineerde vegetatie. Grootschalig plaggen en branden is vaak destructief voor fauna en leidt vaak tot een uniforme vegetatiestructuur. De aanwezigheid van een zaadbank in de bodem of zaadbronnen in de omgeving is noodzakelijk voor herstel van een goed ontwikkelde gemeenschap. Herstelmogelijkheden van heidevegetaties op verboste of beboste heideterreinen hangen af van de leeftijd van het bos en de mate van verstoring van bodem en hydrologie. Sommige soorten hebben een langlevende zaadvoorraad, zoals Struikhei (verschillende decennia); andere soorten hebben slechts kortlevende zaden. Op korte termijn is heideherstel zeker mogelijk op arme zandgronden die spontaan verbost zijn of recent door de mens bebost werden. Herstel van heidevegetaties op voormalige landbouwgronden vraagt een langdurig verschralingsbeheer. Vaak is oppervlakkig afgraven van de bemeste toplaag noodzakelijk. In het geval van akkers is een kiemkrachtige zaadvoorraad in de bodem meestal verloren gegaan. Op voorwaarde dat de abiotiek terug gunstig is, kunnen goede herstelresultaten bekomen worden met het uitspreiden van heideplagsel.

    Wat is vergrassing?

    Vergrassing is de overvloedige groei van grassen, zoals Pijpenstrootje en Bochtige smele, waardoor andere soorten achteruitgaan. Het fenomeen doet zich in natuurgebieden voor als gevolg van aanrijking met meststoffen of een te extensief beheer.

    In heidegebieden is vergrassing een vaak voorkomend probleem. De 'bemesting' is hier doorgaans het gevolg van atmosferische stikstofdepositie. Het gevolg hiervan is dat struikhei langer doorgroeit waardoor de winterharding van de plant wordt uitgesteld. De struikhei is daardoor gevoeliger voor vorst en sterft af in de winter. De open plekken die zo ontstaan kunnen worden ingenomen door grassen die bovendien profiteren van het extra voedselaanbod. Ook bij grote droogte in de zomer bevoordeelt de voedselaanrijking de grassen. Door de sterkere groei van struikhei verliest de plant meer vocht dan de grassen en raakt zo verdrukt. Na branden of insectenplagen kunnen open plekken eveneens snel door grassen worden ingenomen. Plaggen kan helpen om vergraste heide te herstellen. Bochtige smele bijvoorbeeld, bouwt in tegenstelling tot struikhei geen langlevende zaadbank op. Op de geplagde bodem is struikhei dus in het voordeel. Bij dominantie van Pijpestrootje is herstel niet zo eenvoudig. Na het plaggen blijven er vaak stengelbasissen met uitlopende knoppen en zaden achter die sneller dan de struikhei ontwikkelen. Het is dan nodig extra te maaien of te begrazen of dieper te plaggen, met het risico dat je ook het zaad van de heidesoorten verliest. Ook bij graslanden kan er een dominatie zijn van één of enkele grassoorten, vaak zijn dit gestreepte witbol of glanshaver. Door het grasland twee keer per jaar te maaien en het maaisel af te voeren zal meestal de grassendominatie weggaan en komt er plek voor meerdere soorten graslandplanten.

    Afbeelding van Stekelbrem (Genista anglica)
    Stekelbrem (Genista anglica) © Marijke Verhagen (saxifraga)

    Criteria van gunstige staat van de habitat

    Habitatstructuur

    • Dwergstruiken (Blauwe bosbes, Struikhei, Rode dophei, Gewone dophei, Rode bosbes ) zijn tenminste codominant.
    • De ouderdomsstructuur van struikhei* vertoont minstens 2 stadia die minimaal frequent aanwezig zijn (i.e. die minstens 5% bedekken).
    • Eén van de aanwezige ontwikkelingsstadia van struikhei is in het climax- of degeneratie-stadium.

    Opmerking*: Bij de beoordeling van de structuur van droge heide is de ouderdomsstructuur van Struikhei zeer belangrijk. De levenscyclus van Struikhei kent 4 fasen. Elke fase verschilt qua bedekking, productie en bloei van Struikhei, maar ook qua microklimaat en soortensamenstelling. Hoe meer fasen in een heide aanwezig zijn, hoe structuurrijker, hoe soortenrijker en hoe robuuster de heidehabitat is. Een eenvormige ouderdomsstructuur hangt meestal samen met een onaangepast beheer.

      Vegetatie opbouw

      • Struikhei komt voor EN er is minstens 1 andere sleutelsoort aanwezig

      Verstoringskenmerken

      • Vergrassingssoorten komen maximaal op 50% van het habitatoppervlak voorkomen (streven naar delen met een lager aandeel vergrassing).
      • Verbossing komt maximaal op 10% van de habitatoppervlakte voor (streven naar < 5%), oude individuele bomen of groepjes van oude bomen worden hierbij niet meegerekend.
      • Verruigingssoorten bedekken ≤ 10% van het habitatoppervlak.
      • Invasieve exoten bedekken ≤ 10% van het habitatoppervlak.
      Afbeelding van een relict van droge heide in Brussel (Rood Klooster)
      Relict van droge heide in Brussel (Rood Klooster) © Jeroen Mentens, Vilda

      Bedreigingen

      • Veel heides werden in het verleden bebouwd of actief bebost. Actueel is vooral spontane verbossing door gebrek aan beheer een oorzaak van habitatverlies.
      • Eutrofiëring en verzuring leiden tot achteruitgang van de structuur en soortenrijkdom: stikstof is in het algemeen de beperkende factor voor de groei van heideplanten. Bij een hoge atmosferische stikstofdepositie en accumulatie in de bodem zal er, na het openvallen van het vegetatiedek, vergrassing optreden. Hierbij ontstaan gedegradeerde droge heidevegetaties met een dominantie van Bochtige smele of Pijpenstrootje. De oorzaken van vergrassing zijn complex. Droge Pijpenstrootjeheides kunnen ook ontstaan op plaatsen waar Struikhei overstoven wordt met zand. Ook perioden van droogte en strenge vorst, brand en het optreden van keverplagen van Heidehaantje werken vergrassing in de hand. Verzuring is veelal veroorzaakt door de depositie van zwavel- en stikstofverbindingen. Dit leidt tot het verdwijnen van veel karakteristieke en bedreigde plantensoorten. De abiotische condities van deze terreinen is dan niet langer geschikt voor kieming en vestiging van deze soorten. Een algemene soort zoals struikhei kan wel onder de meest zure omstandigheden voorkomen.
      • Vanuit bosranden kan Adelaarsvaren sommige heides binnendringen en overwoekeren. De precieze oorzaken zijn onduidelijk.
      • Oude, structuurrijke, droge heides met veel mossen en korstmossen zijn zeer gevoelig voor betreding en overwoekering van open zandbodems door het Grijs kronkelsteeltje, een Amerikaanse mossoort die in dit type milieu overal sterk oprukt.
      • De bestaande heiderelicten zijn vaak klein en daardoor extra kwetsbaar voor diverse vormen van verstoring of aantasting.
      • Grootschalige heidebranden zijn vooral voor de fauna nadelig en kunnen ook vergrassing in de hand werken.
      • Faunaverstoring ten gevolge van intensieve recreatie.

      Partners

      Deze pagina werd mogelijk gemaakt dankzij de content van Ecopedia

      Deze pagina werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van het LIFE-programma van de EU in het kader van het LIFE Belgium for Biodiversity project (LIFE B4B).

      Lees meer