Over Renature Brussel Contact
nl
Een initiatief vanLeefmilieu Brussel

Beheer voedselrijke, soortenrijke ruigtes langs waterlopen (habitat 6430_hf)

Dit zijn ruigtes op natte tot vochtige voedselrijke grond zonder een duidelijk graslandkarakter. Typische soorten zijn Moerasspirea, Poelruit en Moesdistel. Deze ruigten komen van nature voor in valleien en langs rivieroevers. Het betreft ruigten en zomen op natte, vaak stikstofrijke plaatsen, die in mindere of meerdere mate onder invloed staan van overstromingen, hetzij door oppervlaktewater, hetzij door opstijgend grondwater.

Afbeelding van een poel met Grote kattenstaart

De natura 2000 habitat in het kort

Dit zijn ruigtes op natte tot vochtige voedselrijke grond zonder een duidelijk graslandkarakter. Typische soorten zijn Moerasspirea, Poelruit en Moesdistel. Deze ruigten komen van nature voor in valleien en langs rivieroevers. Het betreft ruigten en zomen op natte, vaak stikstofrijke plaatsen, die in mindere of meerdere mate onder invloed staan van overstromingen, hetzij door oppervlaktewater, hetzij door opstijgend grondwater. Het habitattype is beperkt tot alluviale moerasvegetaties zonder een duidelijk graslandkarakter (bv. geen dominantie van grassen of andere typische graslandsoorten). Kensoorten zijn Moerasspirea, Poelruit, Adderwortel, Moesdistel, Harig wilgenroosje, Echte valeriaan en Bosbies. Daarnaast komen veel andere ruigtekruiden voor zoals Grote wederik, Gewone smeerwortel, Grote kattenstaart, Gewone engelwortel, Moerasandoorn en Koninginnenkruid. Op voedselarmere bodems zijn deze ruigten vaak minder fors ontwikkeld. In deze vegetaties speelt Grote wederik vaak een dominante rol en kunnen soorten voorkomen van voedselarme milieus zoals Pijpenstrootje, Biezenknoppen, Melkeppe, Waternavel en Gespleten hennepnetel. Het Moerasspireaverbond vormt een tussenstadium in de successie naar Elzenbroekbos (habitattype 91E0).

Technische info

Doelgroep Professionals - Overheidinstanties
Seizoen Herfst - Winter - Lente - Zomer
Type actie Onderhouden - Beschermen - Diagnosticeren
Betrokken ruimte Natura 2000 - Groene ruimte
Niveau Ervaren  

Waarnemen, determineren, ontdekken

Officiële titel

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones subtype vochtige tot natte ruigten

Code

  • 6430_hf

Raadpleeg de kaart met de Natura 2000-habitats

Afbeelding van een voedselrijke natte ruigte in Brussel (Rood Klooster)
Voedselrijke natte ruigte in Brussel (Rood Klooster) © Jeroen Mentens, Vilda

Milieukenmerken

Hydrologie

Dit habitat is grondwaterafhankelijk.

Deze natte ruigten komen voor op altijd natte bodems, net boven het gemiddelde grondwaterpeil van de aanpalende waterlopen, dus af en toe overstroomd. Wat het grondwater betreft zijn er niet direct bijzondere vereisten, als het maar niet te mineraalarm is. Ook bevindt de GVG zich < 0,4m onder het maaiveld. Qua abiotiek komt deze ruigte overeen met het dotterbloemgrasland.

Bodem

Deze natte ruigten komen voor op zeer gevarieerde bodems; van zwak zure tot neutrale bodems op veen, zand, leem en klei. Hoewel dit type op natte en relatief rijke bodemtypes voorkomt, is er toch een bovengrens wat fosfaat betreft. Zeker als de wat zeldzamere ruigtesoorten aanwezig zijn moet opgelet worden met te fosfaatrijk overstromingswater.

Milieukarakteristieken

Het moerasspireaverbond omvat ruigten die van nature voorkomen in valleien en langs rivieroevers. Het betreft moerasvegetaties op natte, vaak stikstofrijke plaatsen die in mindere of meerdere mate onder invloed staan van overstromingen, hetzij door oppervlaktewater, hetzij door opstijgend grondwater. Het Moerasspireaverbond en andere natte ruigtes komen voor langs waterlopen met voedsel- en zuurstofrijk water dat de vegetatie geregeld overstroomt. Daardoor is de strooiselophoping niet extreem; het wegspoelen en/of de snelle omzetting van de strooisellaag zijn immers mogelijk.

Relaties

Flora

Sleutelsoorten (indicator van een goede toestand)

Heeft als sleutelsoorten :

  • Adderwortel (Polygonum bistorta)
  • Bosbies (Scirpus sylvaticus)
  • Dagkoekoeksbloem (Silene dioica)
  • Dodemansvingers (Oenanthe crocata)
  • Donzige klit (Arctium tomentosum)
  • Echte valeriaan (Valeriana repens)
  • Gele lis (Iris pseudocarus)
  • Gevlekte dovenetel (Lamium maculatum)
  • Gewone engelwortel (Angelica sylvestris)
  • Grote kattenstaart (Lythrum salicaria)
  • Groot hoefblad (Petasites hybridus)
  • Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum)
  • Heksenmelk (Euphorbia esula)
  • Kleine kaardebol (Dipsacus pilosus)
  • Koninginnekruid (Eupatorium cannabinum)
  • Moerasandoorn (Stachys palustris)
  • Moerasbeemdgras (Poa palustris)
  • Moerasooievaarsbek (Geranium palustre)
  • Moerasspirea (Filipendula ulmaria)
  • Moeraszegge (Carex acutiformis)
  • Moesdistel (Cirsium oleraceum)
  • Poelruit (Thalictrum flavum)
  • Reuzepaardestaart (Equisetum telmateia)
  • Smeerwortel (Symphytum officinale)
  • Watermuur (Myosoton aquaticum)
  • Zomerklokje (Leucojum aestivum)

Soorten die verstoring aanwijzen

Heeft als invasieve exoten :

  • Aardpeer (Helianthus tuberosus)
  • Amerikaanse eik (Quercus rubra)
  • Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina)
  • Aster (Aster spp.)
  • Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis))
  • Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum)
  • Canadese guldenroede (Solidago canadensis)
  • Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii)
  • Hemelboom (Ailanthus altissima)
  • Japanse duizendknoop (Fallopia japonica)
  • Late guldenroede (Solidago gigantea)
  • Pontische rododendron (Rhododendron ponticum)
  • Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera)
  • Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum)
  • Robinia (Robinia pseudoacacia)
  • Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis)
  • Schijnaardbei (Duchesnea indica)
  • Vlinderstruik (Buddleja spp.)
  • Witte spirea (Spiraea alba)

Heeft als soorten die verstoring (verruiging incl. ruderalisering) aanwijzen :

  • Akkerdistel (Cirsium arvense)
  • Braam (Rubus)
  • Grote brandnetel (Urtica dioica)
  • Heermoes (Equisetum arvense)
  • Kruldistel (Carduus crispus)
  • Kweek (Elymus repens)
  • Liesgras (Glyceria maxima)
  • Rietgras (Phalaris arundinacea)
  • Ridderzuring (Rumex obtusifolius)

Heeft als soorten die verstoring (verbossing) aanwijzen :

  • Bedekking boom- en struiklaag exclusief Braam (G) (Rubus spp.)

Fauna

Heeft als constante soorten (soorten die in de meeste van de gebieden met het betreffende habitattype aanwezig zijn, maar niet beperkt zijn tot het habitattype en die een indicator zijn van een goede biotische toestand) :

  • Blauwborst (Luscinia svecica)
  • Bosrietzanger (Acrocephalus palustris)
  • Dwergmuis (Micromys minutus)
  • Grasmus (Sylvia communis)
  • Moerassprinkhaan (Stetophyma grossum)
  • Waterspitsmuis (Neomys fodiens)

Natura 2000-doelhabitat

Kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. 

Onderaan deze pagina kan u de aanwijzingsbesluiten van de drie Brusselse Speciale Beschermingszones raadplegen.

SBZ I : Zoniënwoud met bosrand, aangrenzende bosgebieden en Woluwevallei:

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste behoud van de bestaande oppervlakte.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Ten minste het behoud van de bij identificatie van het gebied aanwezige staat van instandhouding.
  • Herstel van de vereiste kwalitatieve en kwantitatieve hydrologische randvoorwaarden voor vochtige tot natte ruigten.
  • Integratie van deze habitat in een netwerk van ruigtehabitats die de verspreiding van sleutelsoorten zoals Angelica sylvestris, Iris pseudacorus, Lythrum salicaria, Polygonum bistorta, Scirpus sylvaticus, Valeriana repens, Carex acutiformis, Lycopus europaeus en Solanum dulcamara alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt.

SBZ II : Bossen en open gebieden in het zuiden van het Brussels Gewest

Kwantitatieve doelstellingen

  • Ten minste, behoud van de bestaande oppervlakte.
  • Behoud van 0,1 ha habitat 6430 subtype vochtige tot natte ruigte in het natuurreservaat Kinsendaal-Kriekenput.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Progressieve realisatie van een gunstige kwalitatieve toestand
  • Herstel van de vereiste kwalitatieve en kwantitatieve hydrologische randvoorwaarden voor vochtige tot natte ruigten
  • Integratie van deze habitat in een netwerk van ruigtehabitats die de verspreiding van sleutelsoorten zoals Angelica sylvestris, Iris pseudacorus, Lythrum salicaria, Polygonum bistorta, Scirpus sylvaticus, Valeriana repens, Carex acutiformis, Lycopus europaeus, Solanum dulcamara mogelijk maakt.

SBZ III : Bossen en vochtige gebieden van de Molenbeekvallei in het noordwesten van het Brussels Gewest

Kwantitatieve doelstellingen

  • Behoud van de bestaande oppervlakte als habitats van vochtige tot natte ruigten door een combinatie toe te laten met de habitat van gewestelijk belang, dotterbloemgrasland.
  • Indien mogelijk, uitbreiding van de oppervlakte door het terugdringen van de zones geherkoloniseerd door houtige gewassen.

Kwalitatieve doelstellingen

  • Ten minste het behoud van de bij identificatie van het gebied aanwezige staat van instandhouding
  • Herstel van de vereiste kwalitatieve en kwantitatieve hydrologische randvoorwaarden voor vochtige tot natte ruigten.
  • Integratie van deze habitat in een netwerk van ruigtehabitats die de verspreiding via zaden van sleutelsoorten zoals Angelica sylvestris, Iris pseudacorus, Lythrum salicaria, Polygonum bistorta, Scirpus sylvaticus, Valeriana repens, Carex acutiformis, Lycopus europaeus en Solanum dulcamara alsook de verspreiding van de hiermee gepaard gaande fauna mogelijk maakt.

Algemene Natura 2000 maatregelen voor deze habitat

Afbeelding van een poel met Grote kattenstaart
Poel met Grote kattenstaart © Rollin Verlinde (Vilda)

Algemene maatregelen worden vastgesteld voor elk habitattype van communautaire of gewestelijk belang die aanwezig zijn in de Natura 2000-gebieden van het Brussels Gewest. Deze maatregelen worden verder toegelicht in de beheerplannen van de individuele deelgebieden.

  • Vermijden van verstruweling en aanplantingen.
  • Opheffen van de bronnen van verdroging en eutrofiëring.
  • Opheffen van de lozingen van afvalwater en mogelijk vervuild water afkomstig van transportinfrastructuren.
  • Opvangen en laten insijpelen van regen- en bronwater van goede kwaliteit.
  • Afvoeren van afvalwater via de riolen of plaatselijk zuiveren ervan.
  • Ecologisch herstellen van waterlopen, waterpartijen, bron- en kwelzones.
  • Actief beheren van invasieve exotische soorten, vermeld in bijlage IV van de ordonnantie, om hun verspreiding in te perken of om ze te verwijderen.


    Beheren

    Onderhoudsbeheer:

    Voor soortenrijke ruigten langs waterlopen is een natuurlijk waterpeilregime belangrijk en eventuele overstromingen gebeuren met water van een goede kwaliteit. Verruiging en struweel- of bosvorming worden tegengegaan door te maaien (om de 2-5 jaar) of door lichte begrazing. Vanuit faunistisch perspectief is een rotatiebeheer in dit geval steeds aan te bevelen, zodat niet alles in hetzelfde jaar wordt gemaaid.

    Wat is verruiging?

    Onder verruiging verstaat men doorgaans de vestiging van soortenarme vegetaties met veel algemene, en dus binnen het natuurbeheer ongewenste, soorten.

    Verruiging is in zekere zin een subjectief begrip. Een beheerder houdt bij het beheer een bepaald natuurdoeltype voor ogen, bijvoorbeeld een bloemrijk grasland. Door het niet meer of niet juist maaien of door een voedselaanrijking kan het grasland gaan verruigen. Hierdoor zal het aantal graslandsoorten afnemen en nemen de ruigtekruiden toe. Vaak ontstaan er zo soortenarme vegetaties met een paar dominante soorten, bv. een ruigte van enkel Grote brandnetel. Maar sommige ruigtes zoals de vochtige ruigte, kunnen ook bloemen- en soortenrijk zijn. Verruiging is een stap in de successie, die plaatsvindt wanneer beheer verminderd of stopgezet wordt. Wanneer je niet meer maait of begraast wordt het plantenmateriaal niet langer afgevoerd en komt er op de bodem een laag halfverteerde plantenresten (vervilting). Door deze laag van rottende planten kunnen alleen soorten groeien met een sterke groeikracht zoals ruigtekruiden en een aantal dominante grassoorten bv. Glanshaver.

    Afbeelding van Echte valeriaan (Valeriana repens)
    Echte valeriaan (Valeriana repens) © Ed Stikvoort (Saxifraga)

    Criteria van gunstige staat van de habitat

    Dit habitatsubtype is in een gezonde staat als het aan zekere voorwaarden voldoet, die nagestreefd moeten worden in het beheer:

    Habitatstructuur

    • De bedekking van grassen (uitgezonderd Riet & Rietgras) bedraagt ≤ 10%.
    • Geen enkele soort bedekt ≥ 50%.

    Vegetatie opbouw

    • Er zijn minstens 5 sleutelsoorten aanwezig (streven naar een hoger aantal sleutelsoorten)
    • Sleutelsoorten bedekken ≥ 50% (streven naar een hogere bedekking).
    • Opmerking 1: De vegetatie van een moerasspireaverbond voldoet niet aan de habitatdefinitie wanneer ze een hoog aandeel typische graslandplanten i.p.v. moerasruigte-planten bevat.
    • Opmerking 2: Voor dit habitatsubtype wordt met verruiging vooral een ruderalisering bedoeld en dit criterium wordt relatief streng beoordeeld (≤30%) ondanks dat het van nature een ruigte vegetatie betreft. Dit omdat soorten als Akkerdistel, Ridderzuring, Kweek, enz. wijzen op een verstoring of verdroging van de bodem.
    Afbeelding van een Moerasspirearuigte
    Moerasspirearuigtes © Yves Adams (Vilda)

    Verstoringskenmerken

    • Verruigingsindicatoren bedekken ≤ 30% (streven naar een lagere bedekking).
    • De boom en struiklaag (exclusief bramen) bedekt ≤ 30% (streven naar een lagere bedekking).
    • Invasieve exoten zijn afwezig.

    Bedreigingen

    Natte ruigten zijn gevoelig voor verdroging door drainage, eutrofiëring door overstroming met vervuild water en wijzigingen in de waterpeildynamiek door waterbeheersingswerken. Ze zijn helemaal niet gevoelig voor stikstofdepositie. Door het achterwege blijven van een maai- of graasbeheer treedt geleidelijk verruiging op, waarbij alleen de meest concurrentiekrachtige soorten overblijven. Natte ruigten kunnen ook door Riet gekoloniseerd en gedomineerd worden.

    Wat is verdroging?

    Verdroging is het verschijnsel waarbij de stand van het grondwater daalt ten opzichte van het oorspronkelijke, 'natuurlijke' waterpeil of waarbij water met een andere kwaliteit uit andere gebieden (gebiedsvreemd water) het lokale grondwater vervangt. Verdroging houdt met andere woorden in dat de waterinhoud van de bodem verminderd en het grondwaterpeil daalt door menselijke invloeden. Het heeft dus niets te maken met eventuele schommelingen van het grondwaterpeil door klimaat- en weersveranderingen.

    Partners

    Deze pagina werd mogelijk gemaakt dankzij de content van Ecopedia

    Deze pagina werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van het LIFE-programma van de EU in het kader van het LIFE Belgium for Biodiversity project (LIFE B4B).

    Lees meer

    Gerelateerde soortenfiches